De vereenvoudigde btw-regeling voor kleine ondernemers bij e-commerce voorkomt dat een kleine ondernemer, die digitale diensten of afstandsverkopen binnen de EU verricht, buitenlandse btw verschuldigd is.

Laptop

Wanneer geldt de vereenvoudigde btw-regeling voor kleine ondernemers bij e-commerce?

De vereenvoudigde btw-regeling voor kleine ondernemers houdt in dat de digitale diensten en afstandsverkopen binnen de EU die een Nederlandse ondernemer verricht voor consumenten in andere EU-landen zijn belast met Nederlandse btw. Met een kleine ondernemer wordt een ondernemer bedoeld die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  1. De ondernemer is gevestigd in één EU-land;
  2. De ondernemer verricht de digitale diensten en/of afstandsverkopen binnen de EU voor consumenten uit een ander EU-land; en
  3. De totale omzet die de ondernemer realiseert met de grensoverschrijdende digitale diensten en/of afstandsverkopen binnen de EU is jaarlijks niet hoger dan € 10.000.

Hierbij gaat het om afstandsverkopen vanuit het EU-land waarin de kleine ondernemer is gevestigd. 

Deze vereenvoudigde regeling voorkomt dat de kleine ondernemer OSS-aangiften moet doen of zich voor de btw moet registreren in een ander EU-land.

Let op! Zodra de ondernemer met de digitale diensten en/of afstandsverkopen de drempel van € 10.000 overschrijdt, geldt het volgende. De digitale diensten zijn belast in het EU-land van de consument en de afstandsverkopen in het EU-land van aankomst van de goederen. Vaak zal het land van aankomst van de goederen gelijk zijn aan het EU-land van de consument. Voor de leesbaarheid van dit artikel geldt hierna daarom als uitgangspunt dat voor de afstandsverkopen het land van aankomst van de goederen gelijk is aan het land van de consument (hierna: EU-land van de consument).

Keuze voor btw-heffing in EU-land consument

De kleine ondernemer mag ervoor kiezen om de btw-regels van EU-land van de consument toe te passen. Als het btw-tarief in het andere EU-land lager is, kan dit voordelig zijn.

Meldingsplicht vervalt vanaf 1 januari 2027

Tot 1 januari 2027 moet de ondernemer die kiest voor btw-heffing in het EU-land van de consument dat bij de Belastingdienst melden. Dit moet vóór de 10e dag van de maand volgend op de datum waarop de ondernemer de eerste digitale dienst of afstandsverkoop aan de consument uit een ander EU-land verricht. Lukt dat niet binnen deze termijn, dan geldt de keuze vanaf de eerste dag van het aangiftetijdvak volgend op het aangiftetijdvak waarin de keuze aan de Belastingdienst is gemeld.

Deze meldingsplicht vervalt per 1 januari 2027. Vanaf deze datum wordt een ondernemer die de Unieregeling binnen de OSS toepast, geacht te hebben gekozen voor btw-heffing in het EU-land. Als de ondernemer deze keuze niet maakt, en dus de vereenvoudigde regeling voor kleine ondernemers toepast, blijkt dat uit de administratie.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn

Het vervallen van de meldingsplicht per 1 januari 2027 maakt onderdeel uit van de implementatie van het onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese richtlijn “VAT In the Digital Age” (hierna: VIDA-richtlijn). Het wetsvoorstel, waarin dit onderdeel wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, is op 6 oktober 2026 aangenomen door de Eerste Kamer.

Je stelt als werkgever een fiets ter beschikking aan je werknemer. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs inclusief btw. Maar wat doe je met de accessoires?

Fiets

Fiets van de zaak

Als je als werkgever een fiets aan je werknemer ter beschikking stelt, dan blijft de fiets jouw eigendom. Als de fiets ook voor privégebruik ter beschikking staat, geldt een bijtelling.

Let op! Van ter beschikking stellen van een fiets is ook sprake als je als werkgever een fietst leaset en vervolgens ter beschikking stelt aan je werknemer of als je werknemer zelf een fiets leaset en jij alle kosten vergoedt.

Bijtelling 7%

De bijtelling bedraagt 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets inclusief btw.

Tip! Wil je weten wat de consumentenadviesprijs is? Kijk dan eens hier www.bijtellingfietsvandezaak.nl.

Accessoires

Maar wat doe je met de accessoires bij de fiets? Maken de accessoires deel uit van de consumentenadviesprijs dan vallen de accessoires onder de 7% bijtelling.

Let op! Accessoires die deel uit maken van de consumentenadviesprijs zijn alle accessoires die uit de fabriek al onderdeel van de fiets zijn. Denk aan de bagagedrager en de verlichting die standaard op de fiets zit.

Er zijn ook accessoires die geen onderdeel uitmaken van de consumentenadviesprijs. Denk aan een andere bagagedrager of een ander soort zadel. Stel je deze accessoires ter beschikking, dan hoeft hierover geen 7% bijtelling berekend te worden. Deze accessoires moeten echter wel als loon in natura belast worden. Dit betekent dat je werknemer belasting betaalt over het bedrag op de inkoopfactuur inclusief btw. Is er geen factuur, dan geldt de waarde in het economisch verkeer.

Tip! Je kunt het loon in natura van de accessoires ook aanwijzen als eindheffingsloon in de wkr, mits je daarmee voldoet aan de zogenaamde gebruikelijkheidstoets. Je werknemer betaalt dan geen belasting. Als werkgever betaal je 80% eindheffing op het moment dat je met alle aangewezen loonbestanddelen in een jaar de vrije ruimte overschrijdt.

Fietsverzekering, slot etc

Verzeker je als werkgever de fiets, koop je een extra los slot of bijvoorbeeld een steun voor een tas? Dan vormen deze kosten intermediaire kosten. Ze leiden niet tot belastingheffing bij de werknemer en hebben ook geen invloed op de bijtelling. Datzelfde geldt voor reparatiekosten van de fiets.

Let op! Het verschil met een accessoire is dat het bij intermediaire kosten gaat om losse zaken die niet min of meer permanent aan de fiets bevestigd zijn.

Regenpak

Een regenpak dat je als werkgever ter beschikking stelt, is geen intermediaire kost. Dit vormt loon voor je werknemer, maar je kunt er voor kiezen om dit aan te wijzen als eindheffingsloon, mits je daarmee voldoet aan de zogenaamde gebruikelijkheidstoets.

De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing behouden kan blijven, als je een fossiele personenauto inbrengt in een bv. Ook als dit na 31 december 2026 gebeurt mits het een personenauto betreft die op uiterlijk 31 december 2026 ter beschikking stond aan de IB-ondernemer of een werknemer. Daarom is het niet nodig om in verband met een fossiele personenauto in 2026 nog een bv op te richten en je IB-onderneming in te brengen.

Auto

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto

Als je vanaf 2027 een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, kun je te maken krijgen met een pseudo-eindheffing. Deze bedraagt 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.

De pseudo-eindheffing is vanaf 2027 in principe van toepassing als je een personenauto met een CO2-uitstoot groter dan nul (hierna: fossiele personenauto) aan een werknemer ook voor privégebruik ter beschikking stelt.

Overgangsrecht

Voor fossiele personenauto’s die een werkgever al voor 1 januari 2027 ter beschikking heeft gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt voor de werkgever de pseudo-eindheffing niet meteen vanaf 1 januari 2027, maar pas vanaf 1 januari 2031.

Dit overgangsrecht is gekoppeld aan de fossiele personenauto in combinatie met de werkgever. Dus alleen als de personenauto door dezelfde werkgever ter beschikking wordt gesteld, blijft het overgangsrecht van toepassing. De staatssecretaris van Financiën heeft ook al meerdere keren bevestigd dat het overgangsrecht vervalt bij wisseling van werkgever waarbij de werknemer de fossiele personenauto meeneemt.

Vervalt niet bij fusies en overnames

Bij fusies en overnames waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, blijft het overgangsrecht echter wel van toepassing. De staatssecretaris heeft op 16 oktober 2026 in een brief nogmaals bevestigd dat als een nieuwe werkgever (met een ander loonheffingennummer) in de plaats treedt van de oude werkgever, bijvoorbeeld vanwege een fusie of een overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.

Vervalt ook niet bij inbreng in bv

Over het overgangsrecht na inbreng van een IB-onderneming met een fossiele personenauto in de bv, bestond nog onduidelijkheid. Het advies was daarom om de bv op te richten, de IB-onderneming in te brengen en de auto vanuit de bv ter beschikking te stellen uiterlijk op 31 december 2026. Op die manier zou het overgangsrecht in ieder geval behouden blijven. Voor behoud van het overgangsrecht is dit echter niet meer nodig.

De staatssecretaris heeft in de eerdergenoemde brief van 16 oktober 2026 namelijk aangegeven dat het overgangsrecht ook van toepassing blijft als een fossiele personenauto voor 1 januari 2027 ook voor privédoeleinden ter beschikking staat aan een IB-ondernemer. Als deze IB-ondernemer zijn onderneming met de personenauto inbrengt in een bv, geldt voor deze personenauto het overgangsrecht. Ook als de oprichting van de bv en de inbreng pas plaatsvindt na 31 december 2026.

Let op! Heb je een IB-onderneming met werknemers en heb je voor 1 januari 2027 mede voor privédoeleinden een fossiele personenauto ter beschikking gesteld aan deze werknemers? Dan blijft voor deze personenauto’s ook het overgangsrecht van toepassing bij inbreng van de IB-onderneming in een bv.

Let op! Of het aantrekkelijk is om je IB-onderneming in te brengen in een bv is uiteraard niet alleen afhankelijk van de in te brengen auto. Naast fiscale argumenten, kunnen ook andere argumenten, zoals de aansprakelijkheidsbeperking, een rol spelen. Overleg daarom met onze adviseurs of overstap naar de bv raadzaam kan zijn.

Een startende ondernemer is soms nog zonder zich dit te beseffen deelnemer aan de kleineondernemersregeling (KOR) in de btw. Dit kan tot een onverwachte financiële tegenvaller leiden.

Belastingdienst

KOR

Een ondernemer met een in Nederland gevestigde onderneming en een omzet van niet meer dan € 20.000 per kalenderjaar, kan deelnemen aan de KOR. De ondernemer mag dan geen btw berekenen aan de klanten, hoeft ook geen btw-aangifte te doen, maar kan ook de btw op kosten en investeringen niet in aftrek brengen.

Let op! Kijk voor alle voorwaarden voor deelname aan de KOR op de website van de Belastingdienst. Daar vind je ook een overzicht van de gevolgen.

Aanmelden

Om deel te nemen aan de KOR moet je wel een aanmelding doen. Dit kan pas als je bij de Belastingdienst geregistreerd bent als btw-ondernemer.

Let op! Meld je op tijd aan! Dit moet uiterlijk 4 weken vóór de ingangsdatum van de KOR. Bij een kwartaalaangifte btw moet je aanmelding daarom op 3 december binnen zijn om vanaf 1 januari aan de KOR deel te nemen.

Afmelden

Deelname aan de KOR loopt door totdat je een afmelding doet. Die afmelding moet je verplicht doen als je omzet in een kalenderjaar boven de € 20.000 komt. Maar je kunt je ook vrijwillig afmelden.

Let op! Ook afmelden moet je op tijd doen, uiterlijk 4 weken voordat je de afmelding wilt laten ingaan. Bij een kwartaalaangifte btw moet je afmelding daarom op 3 december binnen zijn om vanaf 1 januari de KOR niet meer toe te passen.

Eerder zonnepanelen gekocht?

Bij startende ondernemers die in het verleden als particulier zonnepanelen hebben aangeschaft, gaat het weleens mis. In het verleden konden particulieren de btw op hun zonnepanelen in aftrek brengen als zij zich als btw-ondernemer registreerde. Meestal volgde daarna meteen een aanmelding voor de KOR zodat de particulier geen btw meer hoefde af te dragen.

Veel startende ondernemers realiseren zich niet dat zij al btw-ondernemer zijn vanwege de eerder aangekochte zonnepanelen en ook aangemeld zijn voor de KOR. Als zij dan een onderneming starten en al investeringen doen en kosten maken terwijl ze nog aangemeld zijn voor de KOR, kunnen ze de btw op die investeringen en kosten niet in aftrek brengen.

Tip! Controleer daarom altijd of je (nog) deelneemt aan de KOR. Meld je daar op tijd voor af en investeer pas vanaf het moment dat de KOR echt beëindigd is.

Stel je als werkgever aan je werknemer een fiets ter beschikking dan bedraagt de bijtelling 7% van de consumentenadviesprijs inclusief btw. Ook als de fiets alleen privé wordt gebruikt, blijft dit 7%.

Fiets

Fiets van de zaak

Als je als werkgever een fiets aan je werknemer ter beschikking stelt, dan blijft de fiets jouw eigendom. Als de fiets ook voor privégebruik ter beschikking staat, geldt een bijtelling. Deze bedraagt 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets inclusief btw.

Let op! Van ter beschikking stellen van een fiets is ook sprake als je als werkgever een fietst leaset en vervolgens ter beschikking stelt aan je werknemer of als je werknemer zelf een fiets leaset en jij alle kosten vergoedt.

Geen privégebruik?

Als de fiets ook voor privégebruik ter beschikking is gesteld geldt altijd de bijtelling van 7%. De regeling die geldt voor de auto van de zaak bij maximaal 500 privékilometers per jaar, geldt niet voor de bijtelling van de fiets. Dus ook bij slechts gering privégebruik is de bijtelling 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets inclusief btw.

Excessief of alleen maar privégebruik?

Maar wat gebeurt er als de werknemer de fiets excessief voor privé gebruikt en nauwelijks zakelijk of zelfs helemaal niet zakelijk gebruikt? De Belastingdienst heeft bevestigd dat ook in die gevallen de bijtelling 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets inclusief btw bedraagt. Er kan dus nooit een hogere bijtelling volgen als gevolg van meer privégebruik van de fiets.