Ook in 2026 kunt u weer gebruikmaken van de jaarlijkse schenkvrijstellingen. Tot welke bedragen kunt u belastingvrij schenken? Wat is er daarnaast nog gewijzigd met betrekking tot belastingvrij schenken?

Schenken

Schenken aan kinderen

Veelal wordt geschonken aan kinderen. Hiervoor gelden dan ook de meeste vrijstellingen, die ook voor 2026 zijn geïndexeerd. U mag aan ieder kind in 2026 € 6.908 belastingvrij schenken (2025: € 6.713). 

Verhoogde vrijstellingen

Er geldt ook een tweetal eenmalig verhoogde vrijstellingen voor schenkingen van ouders aan hun kinderen. Zo mogen ouders in 2026 aan ieder kind in de leeftijd tussen de 18 en 40 jaar – uiterlijk op de 40e verjaardag – eenmalig een bedrag van € 33.129 (2025: € 32.195) schenken.

Let op! Als u dit eenmalig verhogde bedrag in 2026 schenkt, mag u uw kind niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij schenken.

Volgt uw kind een dure studie? Dan mag u eenmalig een bedrag van € 69.009 (2025: € 67.064) aan uw kind tussen 18 en 40 jaar schenken ter financiering hiervan. Aan deze schenking is een aantal voorwaarden verbonden. Onder meer moet de studie minstens € 20.000 per jaar kosten, exclusief de kosten van het levensonderhoud. U moet de schenking notarieel vastleggen. Ook moet u kunnen aantonen dat de schenking daadwerkelijk voor de studie gebruikt is. 

Let op! Ook hier geldt dat als u dit bedrag schenkt, u uw kind in dat jaar niet ook nog het bedrag van € 6.908 belastingvrij mag schenken.

Let op! U mag de verhoogde vrijstellingen alleen gebruiken als er in het verleden niet eerder gebruikgemaakt is van een verhoogde vrijstelling. Dit geldt ook voor de verhoogde vrijstelling die enige jaren gold ten behoeve van een eigen woning.

Schenkingen aan anderen

Schenkt u een bedrag aan een ander dan uw kind, bijvoorbeeld aan uw kleinkind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 2.769 (2025: € 2.690).

Let op! Alle genoemde vrijstellingen gelden per kalenderjaar.

Meer schenken dan vrijgesteld?

Schenkt u meer dan de genoemde bedragen, dan betalen uw kinderen in 2026 10% belasting over een bedrag tot € 158.669 (2025: € 154.197). Over het meerdere betalen ze 20% belasting. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18% belasting over een bedrag tot € 158.669 en 36% over het meerdere. Voor alle anderen bedraagt het tarief 30% tot € 158.669 en 40% over het meerdere. 

Ook vrijstellingen erfbelasting geïndexeerd

Naast de bedragen van de vrijstellingen in de schenkbelasting, zijn ook de vrijgestelde bedragen in de erfbelasting verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexatie. Dit levert de onderstaande vrijstellingen op:

   2025  2026
 Vrijstelling partner  € 804.698  € 828.035 
 Vrijstelling invalide kind  € 76.453  € 78.671 
 Vrijstelling (klein)kinderen  € 25.490  € 26.230 
 Vrijstelling ouder  € 60.359  € 62.110 

Wijziging per 2026

Met betrekking tot bovenstaande vrijstellingen is van belang dat kinderen die geen juridische band hebben met hun biologische ouder gelijkgesteld worden aan kinderen die deze band wel hebben. Over schenkingen en erfenissen van hun biologische, maar niet juridische ouder, gelden voortaan dus dezelfde vrijstellingen.

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.

Juridisch

Griffierecht

Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad. 

Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.

Nieuwe tarieven voor instellen beroep

Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.

Nieuwe tarieven voor hoger beroep en cassatie

Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.

Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Restitutie indien gelijk

U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Als u voor uw onderneming in de inkomstenbelasting gebruikmaakt van een gedeelte van een pand, terwijl u in het andere deel woont, kunt u het bedrijfsdeel over het algemeen als ondernemingsvermogen aanmerken. Bij staking van uw onderneming gaat het bedrijfsdeel dan over naar privé en moet u hierover fiscaal afrekenen.

Vastgoed

Mag dan bij de waardebepaling hiervan rekening worden gehouden met een lagere waarde vanwege duurzame bewoning? En zo ja, in welke mate?

Fysiotherapeut stopt ermee

In een zaak die speelde voor rechtbank Noord-Holland kwam deze vraag aan de orde bij de aangifte van een fysiotherapeut die zijn bedrijf gestaakt had. Hij voerde zijn praktijk vanuit het bedrijfsdeel van een woon-bedrijfspand, die hij als ondernemingsvermogen had aangemerkt. Bij het staken van zijn bedrijf ging dit bedrijfsdeel over naar privé en moest hij fiscaal afrekenen over het verschil tussen de werkelijke waarde en de boekwaarde van het bedrijfsdeel. Bij de berekening van de werkelijke waarde had hij met lagere waarde vanwege duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel rekening gehouden. 

De Belastingdienst accepteerde die lagere waarde niet, omdat het bedrijfsdeel alleen gebruikt werd voor ondernemingsactiviteiten en niet voor duurzame zelfbewoning.

Duurzame zelfbewoning van het bedrijfsdeel?

De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast dat er sprake is van een lagere waarde door duurzame zelfbewoning, bij de fysiotherapeut lag. Verder stelde de rechtbank dat volgens eerdere rechtspraak het bedrijfsdeel voor de overgang naar privé al duurzaam bewoond moet zijn.

De fysiotherapeut moest dus aannemelijk maken dat ook het bedrijfsgedeelte al voor de staking van zijn onderneming duurzaam door hem bewoond werd. Dat deed hij onder meer door aannemelijk te maken dat het bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk kon worden verhuurd of verkocht, zonder vergaande afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte. Het praktijkgedeelte van het pand had daarnaast weliswaar een eigen opgang, maar had geen eigen sanitair of aansluitingen voor gas en elektra. Ook was er slechts een dunne scheidingswand met het privégedeelte aanwezig en bevond zich hierin een doorgang. Tot slotvormde het pand één kadastraal geheel, zodat het bedrijfsdeel niet zelfstandig verkocht kon worden.  

Ja, dus lagere waarde

De rechtbank stelde op grond van de argumenten en aangevoerde feiten door de fysiotherapeut vast, dat het pand na staking uitsluitend voor privédoeleinden bestemd was. De conclusie luidde dan ook dat met de duurzame zelfbewoning rekening moest worden gehouden bij de waardebepaling van het bedrijfsdeel.

Bedrijfsdeel geen ondernemingsvermogen?

De Belastingdienst probeerde het nog wel over een andere boeg. De rechtbank ging echter niet mee met de stelling van de inspecteur dat het bedrijfsdeel ten onrechte tot het ondernemingsvermogen was gerekend. De rechtbank gaf aan dat over het algemeen de wil van belastingplichtige beslissend is om een gemengd pand al dan niet (deels) tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij dit de redelijkheid te buiten gaat. Dit was hier niet het geval.

Hoeveel lagere waarde?

De rechtbank besloot vervolgens de waardevermindering vanwege duurzame zelfbewoning vast te stellen op 15%, zich baserend op een goedkeurend besluit van de Belastingdienst uit 2018. De waarde van het praktijkdeel werd overeenkomstig deze vermindering vastgesteld. 

Een dga die werkt voor zijn eigen bv moet een gebruikelijk loon genieten uit zijn bv. Het normbedrag binnen de gebruikelijkloonregeling stijgt per 2026 naar € 58.000.

Administratie

Gebruikelijkloonregeling

De gebruikelijkloonregeling geldt voor elke aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een bv die ook werkzaamheden verricht voor die bv.

Let op! Verricht uw fiscale partner ook werkzaamheden voor de bv, dan moet ook voor uw partner een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen.

Hoogte gebruikelijk loon

Het gebruikelijk loon bedraagt in 2026 het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s, of
  • € 58.000.

Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan in 2025 toen dit nog € 56.000 bedroeg.

Tip! Komt het berekende loon hoger uit dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag u uw gebruikelijk loon vaststellen op dat lagere loon. De discussie met de Belastingdienst hierbij zal met name gaan over de vraag of het door u gestelde loon inderdaad het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.

De hoogte van de transitievergoeding is mede afhankelijk van de duur van de beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd is een derde van het brutomaandsalaris verschuldigd. Is dat altijd het geval?

Handtekening

Een casus

Bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding dient onder meer gekeken te worden naar eerdere dienstverbanden als deze zes maanden of korter geleden zijn beëindigd. In een aan de Hoge Raad voorgelegde zaak, ging het om een werknemer die door de werkgever binnen zes maanden na diens ontslagname was teruggevraagd. Er was vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten. Naar de letter van de wet telt dan het oude dienstverband mee. 

De nieuwe arbeidsovereenkomst werd later door de kantonrechter ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie (de zogenaamde g-grond). De werknemer was het vervolgens niet eens met de berekening van de transitievergoeding.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelt echter dat het meenemen van het eerdere dienstverband, beëindigd door de werknemer zelf, niet overeenkomstig de geest van de wet is zoals deze naar voren komt uit de parlementaire stukken en de wet dus niet zo moet worden uitgelegd. 

Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke wetsuitleg mee dat eerdere arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd op initiatief van de werknemer – zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever – niet worden meegerekend bij de toepassing van de wet, waar het gaat om de samentelling van dienstverbanden ter bepaling van de hoogte van de transitievergoeding. 

In deze casus hoefde de werkgever bij het vaststellen van een transitievergoeding dus niet de eerdere arbeidsovereenkomst mee te rekenen in de uiteindelijke transitievergoeding.