Vanaf 2025 krijgt een werkgever minder snel te maken met de herziening van de lage WW-premie naar de hoge WW-premie. Dit komt omdat de urennorm in 2025 lager is dan in 2024.
WW-premie
De WW-premie (ook wel premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds, AWF) kan een lage of een hoge premie zijn. Kort samengevat betalen werkgevers die werknemers vaste contracten aanbieden de lage WW-premie, en werkgevers die flexibele contracten aanbieden de hoge WW-premie.
Er gelden nog meer voorwaarden. Zo mag de lage WW-premie worden toegepast voor loon uit een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:
de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd,
de arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd, en
de arbeidsovereenkomst is geen oproepovereenkomst.
Herzien van lage premie naar hoge premie
In bepaalde situaties moet de lage WW-premie achteraf alsnog met terugwerkende kracht worden herzien naar de hoge WW-premie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een werknemer met een arbeidscontract van minder dan 35 uur per week in het kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in het arbeidscontract staat. Dit kan gebeuren als een werknemer veel overwerk verricht ten opzichte van de contracturen.
Tip! Bij een arbeidscontract van 35 uur of meer per week, geldt deze herzieningsregeling niet.
Let op! Er kunnen nog andere redenen zijn om de lage WW-premie alsnog te herzien naar de hoge WW-premie, bijvoorbeeld als een nieuwe werknemer binnen twee maanden ontslag neemt of wordt ontslagen.
Urennorm van 35 uur naar 30 uur
De urennorm waarbij herziening van de lage naar de hoge WW-premie in 2024 plaatsvindt, is minder dan 35 uur per week. Vanaf 2025 is deze urennorm 30 uur of minder per week.
Vanaf 2025 kan herziening daarom alleen nog plaatsvinden als een werknemer met een arbeidscontract van 30 uur of minder per week in het kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in het arbeidscontract staat.
Let op! De verlaging naar 30 uur of minder per week geldt pas vanaf het jaar 2025. Voor de herziening over het jaar 2024, die over het algemeen begin 2025 plaatsvindt, heeft u dus nog te maken met de grens van minder dan 35 uur per week.
De Raad van State adviseert de regering om het wetsvoorstel voor een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement niet in te dienen in de vorm zoals dit aan hem is voorgelegd. De beoogde ingangsdatum van een nieuw box 3-stelsel per 1 januari 2027 was al onzeker, maar lijkt na dit advies eigenlijk onhaalbaar.
Ingrijpend en complex
De Raad van State oordeelt dat het voorstel voor het nieuwe box 3-stelsel op basis van het werkelijke rendement ingrijpende gevolgen heeft voor zowel burgers als de Belastingdienst. Het voorstel leidt tot slechtere dienstverlening aan burgers, beperktere mogelijkheden om vooraf overleg te hebben met de Belastingdienst en onvoldoende toezicht op de naleving van de wetgeving. Bovendien wordt het nieuwe box 3-stelsel veel complexer.
Alternatieve denkrichting: toch een forfaitair stelsel?
De Raad van State adviseert de regering daarom om de vormgeving van het box 3-stelsel te bezien. Daarbij worden een aantal alternatieve denkrichtingen meegegeven. Zo wijst de Raad van State erop dat de mogelijkheden voor een forfaitair box 3-stelsel door de arresten van de Hoge Raad weliswaar ingeperkt zijn, maar binnen de grenzen van de jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM nog steeds mogelijk. Gedacht kan worden aan een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico-rendementen of met een tegenbewijsregeling.
Vermogenswinstbelasting
De Raad van State geeft aan dat een stelsel op basis van een vermogenswinstbelasting waarschijnlijk op meer maatschappelijk draagvlak kan rekenen dan de nu voorgestelde vermogensaanwasbelasting.
Budgettaire opbrengsten
Als gekozen zou worden voor een vermogenswinstbelasting zullen er waarschijnlijk extra belastinginkomsten nodig zijn. De Raad van State beschrijft ook hiervoor alternatieve denkrichtingen, zoals een bredere vermogensbelasting voor vermogen uit box 1, 2 én 3, het ook in beschouwing nemen van de belastingdruk op vermogen in box 1 en 2 en aanpassingen in de schenk- en erfbelasting.
Let op! Het advies van de Raad van State gaat over het nieuwe box 3-stelsel waarvan de beoogde ingangsdatum 1 januari 2027 was. Dit advies gaat dus niet over het huidige box 3-stelsel of het verder rechtsherstel op dit huidige box 3-stelsel op basis van uitspraken van de Hoge Raad van medio 2024 als het werkelijke rendement lager is.
De laatste jaren zijn er steeds meer zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bijgekomen. Het gaat hierbij om mensen die ofwel volledig als zelfstandige werken, ofwel dit combineren met een dienstverband in loondienst. Werkt u met zzp’ers of bent u een zzp’er? Wat is nu er wettelijk geregeld, waar moet en kunt op letten en hoe wordt er gehandhaafd?
Voor een werkgever, ofwel opdrachtgever, is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen.
Beoordeling arbeidsrelatie
In de jurisprudentie is invulling gegeven aan de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):
moet er sprake zijn van de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen en instructies te geven (gezagsverhouding);
moet de arbeid persoonlijk worden verricht;
moet de werkgever als tegenprestatie loon betalen.
Ten aanzien van het gezagscriterium heeft de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest verduidelijkt dat de rechter ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft echter slechts een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:
de aard en duur van de werkzaamheden;
de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
de hoogte van deze beloningen;
de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.
Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het verwerven van een reputatie, acquisitie, fiscale behandeling, het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
Nieuwe wetgeving: gezagscriterium
In het najaar van 2023 is er een internetconsultatie geweest van het wetsvoorstel ‘Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’. Deze wet beoogt de schijnzelfstandigheid op te lossen. Schijnzelfstandigheid ontstaat met name vanwege onduidelijkheid over de invulling van het gezagscriterium. Het wetsvoorstel streeft naar een verduidelijking van dit gezagscriterium in artikel 7:610 BW.
Volgens het conceptwetsvoorstel was sprake van gezag wanneer (abc-toets): a. de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke aansturing door de werkgever; of b. de arbeid of de werknemer organisatorisch zijn ingebed in de organisatie van de werkgever; c. de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht.
ABC’tje vervangen door WZOP-toets
Inmiddels is het wetsvoorstel eind juni 2024 in aangepaste vorm voor advies naar de Raad van State gezonden. Het ABC’tje heeft plaatsgemaakt voor de WZOP-toets, waarbij W staat voor werknemer, Z voor zelfstandige en OP voor ondernemerschap.
Werd in het conceptwetsvoorstel van oktober 2023 nog onderscheid gemaakt tussen indicator A (werkinhoudelijke aansturing) en indicator B (organisatorische inbedding), spreekt het nieuwe voorstel alleen nog van indicator W (werknemer).
Om te kunnen spreken over een werknemer kan gekeken worden naar de volgende indicatoren:
bevoegdheid om aanwijzingen te geven;
mogelijkheid tot controle en ingrijpen;
werkzaamheden worden verricht binnen organisatorisch kader van de organisatie;
werkzaamheden hebben structureel karakter;
werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers.
Opvallend is dat de indicator ‘de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteit van de organisatie’ in het nieuwe toetsingskader niet meer zelfstandig terugkomt.
Indicatoren die wijzen op werken als zelfstandige binnen de arbeidsrelatie:
financiële risico’s en resultaten liggen bij werkende;
werkende is zelf verantwoordelijk voor gereedschap, hulpmiddelen en materialen;
werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werke4rvaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie niet structureel aanwezig zijn;
werkende treedt zelfstandig naar buiten;
er is sprake van korte duur van de opdracht of van beperkt aantal uren per week.
Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de persoon (algeheel ondernemerschap) van de werkende voor soortgelijke werkzaamheden:
de werkende heeft meerdere opdrachtgevers per jaar;
werkende besteedt tijd en/of geld aan het verwerven van een reputatie en het vinden van nieuwe klanten of opdrachtgevers;
werkende heeft bedrijfsinvesteringen van enige omvang;
werkende gedraagt zich administratief als zelfstandig ondernemer: is ingeschreven bij KvK, is btw-ondernemer en/of heeft recht op fiscale vooredelen van het ondernemerschap.
Let op! Dit laatste is alleen van belang als niet duidelijk is of iemand als werknemer of als zelfstandige moet worden aangemerkt.
Tevens wordt er in een nieuw wetsartikel voorgesteld dat er op basis van een bepaald uurloon vastgesteld kan worden dat er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Wanneer een werkende minder dan € 33,00 – bedrag wordt periodiek geïndexeerd – verdient, is het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen door de werkende (of diens vertegenwoordiger). Het gaat hierbij om een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er niet automatisch een arbeidsovereenkomst ontstaat, maar de werkende kan zich in geval van een tarief onder de norm wel op het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst beroepen en gemakkelijker een arbeidsovereenkomst opeisen (bij de eigen werkgever en desnoods via de civiele rechter). Het is dan aan de werkgever om dat rechtsvermoeden te ontkrachten.
Schijnzelfstandigheid en de handhaving hierop
Een schijnzelfstandige is iemand die door zichzelf en zijn opdrachtgever als zzp’er wordt aangemerkt, terwijl deze persoon in werkelijkheid werknemer is. Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). In verband met politieke druk, voortkomend uit in de praktijk bestaande onzekerheid over de toepassing van deze wet, is de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst opgeschort tot het moment waarop bepaalde knelpunten zijn opgelost. De opschorting duurt tot 1 januari 2025. Dit betekent dat de Belastingdienst opdrachtnemers en opdrachtgevers tot uiterlijk 1 januari 2025 geen boete of naheffing zal opleggen.
Kwaadwillenden
Er is nu wel sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit moratorium houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid.
De Belastingdienst heeft nu al de mogelijkheid ‘kwaadwillenden’ te beboeten. Deze term ziet op de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast). De Belastingdienst handhaaft in alle gevallen van kwaadwillendheid. De Belastingdienst kan handhaven bij kwaadwillenden als zij de volgende drie criteria alle drie kan bewijzen:
Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.
De Belastingdienst legt dus niet meteen een correctieverplichting op, maar de opdrachtgever moet wel de aanwijzingen opvolgen door ofwel de afspraken met de zzp’er zodanig aan te passen dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, ofwel door de werkzaamheden van de zzp’er als dienstbetrekking te laten verwerken in de loonaangifte. Hiervoor krijgt de opdrachtgever meestal drie maanden de tijd. Worden de aanwijzingen niet of niet voldoende opgevolgd, dan volgt een correctieverplichting en boete vanaf het moment van het geven van de aanwijzing.
Let op! Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst uiteindelijk (weer) handhaven op schijnzelfstandigheid. Deze keer gaat dat echt gebeuren. Het zogenaamde handhavingsmoratorium komt per genoemde datum te vervallen. Risicosectoren zoals de zorg, de kinderopvang, de bouw en het onderwijs zijn al extra gewaarschuwd. De Belastingdienst kan dan naheffen en boetes opleggen in situaties waarin er sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij door de Belastingdienst gekeken wordt naar de criteria van het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad.
Overgangsregeling handhavingsmoratorium
Het kabinet heeft begin september 2024 aangekondigd dat er een overgangsregeling komt: een jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Het kabinet heeft dit besluit genomen, omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden. Bijkomend punt is dat de nieuwe wet op zijn vroegst pas kan ingaan op 1 januari 2026.
In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid. Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet kan een naheffing tot maximaal 5 jaar terug worden opgelegd. De Belastingdienst kan alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot 1 januari 2025, de datum van de opheffing.
Ook is aangegeven dat de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer gaat goedkeuren, omdat modelovereenkomsten geen zekerheid vooraf kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat.
De lopende modelovereenkomsten kunnen nog wel worden afgemaakt tot de einddatum van de overeenkomst.
Risico’s opdrachtgever
Als achteraf sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever het risico van het betalen van (achterstallige loonbelasting), verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan een boete worden opgelegd met een terugwerkende kracht van vijf jaar.
Risico’s zzp’er
Niet alleen de opdrachtgever loopt een risico als achteraf de situatie anders blijkt te zijn. Ook zijn er risico’s voor de zzp’er. Denk aan een controle door de Belastingdienst van zijn aangifte inkomstenbelasting. Als de Belastingdienst hem niet aanmerkt als zzp’er, zal hij de aangifte corrigeren. Dit heeft als gevolg dat de aangegeven winst als loon wordt aangemerkt, waardoor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling vervallen.
Uit te voeren acties
Het is van belang nu al alert te zijn op het werken met zzp’ers. Daarvoor is het van belang de gemaakte afspraken en alle feiten en omstandigheden in kaart te brengen om vervolgens op basis van de aandachtspunten uit het Deliveroo-arrest te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Tip! Als dat het geval is, dan is het van belang te kijken of de afspraken en werkwijze zodanig kunnen worden aangepast dat er geen sprake van een arbeidsovereenkomst meer is. Dan kan het handig zijn gebruik te maken van modelovereenkomsten die zijn beoordeeld door de Belastingdienst.
Tip! Bekijk of het mogelijk is om als opdrachtgever de zzp’er een dienstverband aan te bieden indien u dit beiden een wenselijke situatie lijkt.
De Belastingdienst heeft eind november de beschikkingen Werkhervattingskas (Whk) 2025 verstuurd. Heeft u een beschikking Whk 2025 gehad, controleer deze dan goed.
Werkhervattingskas (Whk)
De Werkhervattingskas (Whk) is een werknemersverzekering waarvoor een werkgever een premie moet afdragen. Alle middelgrote en grote werkgevers ontvangen eind november de beschikking gedifferentieerde premie Whk 2025. De hoogte van de premie hangt af van de instroom van werknemers in de ZW en WGA.
Controle
Het advies is om deze beschikking goed te controleren. Fouten in de beschikking kunnen namelijk van invloed zijn op de hoogte van de premie. Zo kunnen bijvoorbeeld verkeerde loonsommen zijn gebruikt, uitkeringslasten ten onrechte aan u zijn toegerekend of bedragen van de uitkeringslasten onjuist zijn. Ook bij een overname van een onderneming, is het belangrijk om te controleren of dat goed verwerkt is.
Instroomlijsten
Voor het controleren van uitkeringslasten op de beschikking kan het nodig zijn om instroomlijsten bij de Belastingdienst op te vragen. De Belastingdienst stuurt de lijsten meestal binnen één week, maar uiterlijk binnen zes weken na uw aanvraag.
Tip! Uiteraard kunnen onze adviseurs u van dienst zijn bij het controleren van de beschikking Whk. Ook kunnen zij de instroomlijsten voor u opvragen, als u hen daarvoor machtigt. Neem hiervoor contact met ons op.
Bezwaar
Klopt de beschikking Whk niet, dan kunt u in bezwaar komen. Dit moet wel binnen zes weken na dagtekening van de beschikking (welke waarschijnlijk 23 november 2024 is). U kunt, in afwachting van de instroomlijsten, ook eerst pro-forma in bezwaar (dat is een bezwaar zonder nadere motivatie). De Belastingdienst verleent u, na ontvangst van de instroomlijsten, nader uitstel van deze motivatie tot en met 30 april 2025.
Let op! Motiveer in ieder geval vóór 1 mei 2025 het pro-forma bezwaar. Doet u dat later, dan verklaart de Belastingdienst uw bezwaar ongegrond.
Mededeling
Voor kleine werkgevers is de premie afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn. Zij ontvangen daarom geen beschikking Whk, maar alleen een mededeling van de premie van de Belastingdienst. Deze mededelingen bevatten vaste percentages waar u niet tegen in bezwaar kunt komen.
Rekenhulp
Op de website van het UWV is een rekenhulp opgenomen waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2025 kunt berekenen.
De maximale verzuimboetes voor een aangifteverzuim, een betaalverzuim en een correctieverzuim in de loonheffingen gaan per 2025 omhoog.
Aangifteverzuim
Doet u geen aangifte loonheffingen of doet u deze niet op tijd, dan is sprake van een aangifteverzuim. Van zo’n aangifteverzuim is ook sprake als u een onjuiste of onvolledige aangifte doet. U krijgt hiervoor een boete van € 68, tenzij de aangifte bij de Belastingdienst binnen is binnen de coulancetermijn van zeven kalenderdagen na de uiterste aangiftedatum.
Let op! In uitzonderlijke gevallen kan de Belastingdienst ook een hogere aangifteverzuimboete vaststellen van maximaal € 1.377. Dit kan de Belastingdienst bijvoorbeeld doen als u herhaaldelijk geen of te laat uw aangifte doet. Deze maximale boete gaat per 2025 omhoog naar € 1.675.
Betaalverzuim
Als u de loonheffingen niet of te laat betaalt, of u betaalt te weinig, is sprake van een betaalverzuim. De betaalverzuimboete hiervoor is 3% van het te laat betaalde bedrag met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.514. De maximale betaalverzuimboete gaat per 2025 omhoog naar € 6.709.
Er geldt een coulancetermijn van zeven kalenderdagen na de uiterste betaaltermijn. Als u te laat, maar binnen die coulancetermijn betaalt, krijgt u geen betaalverzuimboete als u de vorige aangifte wel op tijd en volledig betaalde.
Let op! In uitzonderlijke gevallen kan de Belastingdienst ook een hogere betaalverzuimboete vaststellen van maximaal 10% van het te laat betaalde bedrag met een maximum van € 5.514 (in 2024, in 2025 € 6.709). Dit kan de Belastingdienst bijvoorbeeld doen als u herhaaldelijk te laat, niet of te weinig betaalt.
Combinatie aangifte- en betaalverzuim
Doet u uw aangifte loonheffingen te laat én betaalt u te laat, dan kunt u twee boetes krijgen: één voor het aangifteverzuim en één voor het betaalverzuim.
Correctieverzuim
De Belastingdienst kan een correctieverzuimboete opleggen als u een correctie op een aangifte loonheffingen niet, niet op tijd, fout of onvolledig indient. De Belastingdienst gaat terughoudend om met het opleggen van zo’n boete, maar legt deze bijvoorbeeld wel op als u herhaaldelijk een correctie op een aangifte loonheffingen niet, niet op tijd, fout of onvolledig indient.
De maximale correctieverzuimboete die de Belastingdienst dan kan opleggen, bedraagt in 2024 nog € 1.377, maar gaat per 2025 omhoog naar € 1.675.
Vergrijpboete
Als er sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet kan de Belastingdienst ook een vergrijpboete opleggen tot een hoger bedrag.