Het btw-tarief voor de culturele sector en voor boeken, kranten en tijdschriften gaat per 1 januari 2026 wijzigen. Het huidige tarief van 9% wordt vervangen door het algemene tarief van 21%. Dit voorstel staat in het Belastingplan 2025. Naast extra inkomsten, beoogt het kabinet met de maatregel ook de btw-wetgeving te vereenvoudigen.
Boeken
Een belangrijk onderdeel van het voorstel is de verhoging van de btw op boeken. Dit betreft ook digitale boeken en het uitlenen van boeken. Daarnaast gaat het hoge btw-tarief ook gelden voor kranten en tijdschriften, fotoboeken en kleurboeken.
Schoolboeken
Ook schoolboeken gaan onder het hoge btw-tarief vallen. Het plan is om basisscholen en middelbare scholen, die veelal werken met een boekenfonds, te compenseren voor deze extra kosten. Ook voor het mbo gaat een compensatie gelden voor het lesmateriaal in de basisvaardigheden (lezen, schrijven, rekenen en burgerschap) aan studenten onder de 18 jaar. Hoe dit er concreet uit komt te zien, is nog niet duidelijk.
Verlenen van toegang
Met betrekking tot de cultuursector valt vanaf 2026 het verlenen van toegang onder het hoge btw-tarief. Daarbij moet gedacht worden aan toegang tot bijvoorbeeld musea, concerten, dans- en toneel- en theateruitvoeringen.
Kunst
Voor de invoer en levering van kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiek gaat ook het hoge btw-tarief van 21% gelden. Maar niet alleen voor kunstvoorwerpen, ook voor optredens van uitvoerende kunstenaars gaat het 21% btw-tarief gelden.
Vooruitbetalingen
In de plannen wordt ook geanticipeerd op vooruitbetalingen. Om te voorkomen dat via vooruitbetalingen nog in 2026 van het lage btw-tarief kan worden geprofiteerd, gaat het btw-tarief gelden dat van toepassing is op het moment dat de dienst wordt verricht. Dit betekent dat als u in 2025 kaarten verkoopt voor bijvoorbeeld een concert of tentoonstelling welke pas in 2026 plaatsvindt, u in 2025 al het hoge tarief van 21% in rekening moet brengen.
Let op! De voorstellen moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd en zijn dus nog niet definitief.
Een ontslagen werknemer moet een schadevergoeding betalen aan een werkgever. De werkgever heeft de toegewezen schadevergoeding verrekend met nog te ontvangen loon dat nog gold over de opzegtermijn. Kan de schadevergoeding dan gebruteerd worden?
Wat speelde er?
Een werknemer werd op staande voet ontslagen door de stichting waar hij werkte. De werknemer moest een schadevergoeding aan de werkgever betalen, omdat hij de werkgever reden had gegeven om hem te ontslaan. De schadevergoeding betrof loon over de niet in acht genomen opzegtermijn, oftewel de gefixeerde schadevergoeding. Dit loon was dus nooit uitbetaald. De Belastingkamer van het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat deze schadevergoeding op het moment van betaling door de werknemer negatief loon vormde.
De werknemer was de mening toegedaan dat het betaalde negatieve loon aan de stichting gebruteerd zou moeten worden, waardoor er een bedrag als loonheffing in aanmerking moest worden genomen. Het geschil ging over de vraag of de door de inspecteur opgelegde aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd en welk bedrag als verrekenbare voorheffing in aanmerking moest komen.
Geen brutering of verrekende loonheffing
De inspecteur is van mening dat hier geen sprake is van brutering van de gefixeerde schadevergoeding, dan wel verrekening van de loonheffing ter zake van die vergoeding. In 2012 had de stichting een bedrag aan nettosalaris dat zij aan de werknemer verschuldigd was, verrekend met de schadevergoeding die zij van de werknemer claimde. Er was geen sprake van brutering.
Oordeel rechter
Bij brutering van de vordering tot terugbetaling van ten onrechte genoten loon, wordt het destijds door een werknemer ontvangen nettoloon verhoogd met de belasting die de werkgever daarover heeft afgedragen. Een werknemer betaalt dan het bedrag aan de werkgever.
Deze werknemer heeft evenwel niet het gebruteerde bedrag betaald, maar hetgeen waartoe hij door de rechtbank veroordeeld was. Over die schadevergoeding heeft de stichting geen loonheffing ingehouden of anderszins betaald. Daarom gaat de vergelijking met terugbetaling van loon niet op.
Geen loonbelasting over de betreffende schadevergoeding
Er is geen reden te oordelen dat de werknemer een groter bedrag als negatief loon in aftrek zou kunnen brengen dan hij daadwerkelijk aan de stichting heeft betaald. Ook kon de werknemer geen bedrag aan loonbelasting verrekenen dat niet is geheven. De aanslag is naar het oordeel van de rechtbank juist opgelegd en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
Er is een nieuwe site beschikbaar waar ondernemers kunnen vinden welke subsidies er beschikbaar zijn voor innovatie met betrekking tot cybersecurity. Op deze manier moeten dergelijke subsidies, Nederlandse en Europese, makkelijker te vinden zijn.
Filters
De site bij RVO.nl werkt onder meer met filters. Op die manier is snel duidelijk wat de voorwaarden voor een subsidie zijn en wat het beschikbare budget is. Er is niet alleen informatie beschikbaar over specifieke subsidies inzake cybersecurity, maar ook over algemene subsidies, zoals de WBSO (Wet bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk).
Gericht advies
Op de site kunnen geïnteresseerde ondernemers ook terecht voor gericht advies, bijvoorbeeld op het gebied van subsidievoorwaarden, financiering of de werking van het aanvraagproces. Verder is zichtbaar of een regeling al open is, bijna, of alweer gesloten.
Thema en type organisatie
De filters maken het ook mogelijk te selecteren op onder meer thema’s en organisaties. Zodoende kunnen bijvoorbeeld specifiek subsidies worden gezocht die gericht zijn op het grootbedrijf of juist op het mkb.
De Belastingdienst is gestart met het versturen van een informatiebrief aan iedereen die mogelijk in aanmerking komt voor verder rechtsherstel in box 3. Het gaat om in totaal 2,6 miljoen brieven, waarvan de laatsten begin november verzonden worden.
Box 3-arresten Hoge Raad juni 2024
In juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijke forfaitaire rendement. De Hoge Raad gaf daarbij aanwijzingen over hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. Zo oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld dat het gaat om het nominale werkelijke gerealiseerde én ongerealiseerde rendement zonder rekening te houden met inflatie en zonder aftrek van kosten.
Tegenbewijsregeling
De staatssecretaris gaf nadien een nadere invulling aan de wijze waarop het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de aanwijzingen van de Hoge Raad. Deze invulling wordt in een wetsvoorstel opgenomen, waarmee in feite een wettelijke tegenbewijsregeling ontstaat. Op die wettelijke tegenbewijsregeling kunt u een beroep doen als uw wettelijke rendement – berekend volgens de nadere invulling van de staatssecretaris – lager is dan het forfaitaire rendement.
Let op! Als u in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling, betekent dit niet dat straks per definitie uw box 3-aanslag verminderd wordt. Hiervoor moet uw werkelijke rendement lager zijn dan het forfaitaire rendement. Houd er daarbij rekening mee dat wat u wellicht verstaat onder werkelijk rendement anders is dan de invulling die de Hoge Raad daaraan gaf.
Brief Belastingdienst
In september maakte de staatssecretaris de doelgroep bekend die in aanmerking komt voor de wettelijke tegenbewijsregeling. Tot en met begin november 2024 stuurt de Belastingdienst deze doelgroep een brief. Het gaat om de periode vanaf 2017.
Let op! Denkt u dat u in aanmerking komt voor de wettelijke tegenbewijsregeling, maar heeft u medio november 2024 nog geen brief van de Belastingdienst ontvangen? Neem dan voor meer informatie contact op met onze adviseurs. Zij kunnen dan samen met u bepalen of u terecht geen brief heeft ontvangen.
Geen actie?
De Belastingdienst geeft in de brief aan dat u nu nog niet in actie hoeft te komen. Dat klopt over het algemeen, behalve als u een definitieve aanslag met box 3-inkomen ontvangt óf als u een definitieve aanslag IB 2019 met box 3-inkomen heeft die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond. In die gevallen is het mogelijk verstandig om wel in actie te komen.
Definitieve aanslag IB met box 3-inkomen
Ontvangt u een definitieve aanslag IB met box 3-inkomen, neem dan zo snel mogelijk contact op met een van onze adviseurs. Als een voorlopige berekening van uw werkelijke inkomen lager is dan het wettelijke forfaitaire inkomen in box 3, kan het namelijk verstandig zijn om uw rechten veilig te stellen en tijdig bezwaar te maken tegen de definitieve aanslag IB. Tijdig wil zeggen binnen zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag.
Definitieve aanslag IB 2019 met box 3- inkomen
Heeft u een definitieve aanslag IB 2019 met box 3-inkomen en stond deze op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vast? Dan ontvangt u een andere brief van de Belastingdienst. In deze brief staat dat u vóór 31 december 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering in moet dienen, als u dat niet al eerder heeft gedaan. Alleen dan houdt u recht op de tegenbewijsregeling voor de IB 2019.
Let op! Ontvangt u zo’n brief, overleg dan met onze adviseurs of een verzoek om ambtshalve vermindering verstandig is. Heeft u medio november 2024 nog niet zo’n brief ontvangen en denkt u dat u voor uw IB 2019 wel in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling? Neem dan ook contact op. Zij kunnen dan samen met u bepalen of u terecht geen brief heeft ontvangen en nadere actie ondernemen.
Vervolg
Het wetsvoorstel met daarin de wettelijke tegenbewijsregeling wordt naar verwachting in het eerste kwartaal 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden. Beoogd is om de wet per 1 juni 2025 in te laten gaan. Het aan het tegenbewijs gekoppelde Formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) is naar verwachting ook medio 2025 gereed. Pas vanaf dat moment kunt u met behulp van dit Formulier OWR uw werkelijke rendement aan de Belastingdienst doorgeven. U ontvangt daarvoor vanaf de zomer van 2025 van de Belastingdienst een uitnodiging met details over de benodigde stappen die u moet nemen.
Het maximum van de algemene heffingskorting wordt per 2025 per saldo verlaagd met € 294. De maximale korting bedraagt vanaf dan € 3.068. Het maximale bedrag aan algemene heffingskorting wordt per 2025 vanaf een hogere inkomensgrens afgebouwd tot aan het inkomen waarbij het tarief van 49,5% begint. Dit staat in de belastingplannen voor 2025.
Afbouwgrens ligt hoger
Iedereen tot een bepaald inkomen heeft recht op de algemene heffingskorting. Deze korting komt in mindering op de te betalen belasting. De grens vanaf waar de algemene heffingskorting wordt afgebouwd ligt voor 2024 op € 24.812, voor 2025 ligt dit waarschijnlijk rond € 28.406.
Let op! De daadwerkelijke grens is gekoppeld aan het wettelijke minimumloon. Iedereen met een inkomen tot het minimumloon heeft namelijk in 2025 recht op de maximale heffingskorting. De hoogte van de grens wordt daarom pas definitief vastgesteld ná de definitieve vaststelling van het wettelijke minimumloon voor 2025.
Afbouw tot inkomensgrens tarief 49,5%
Het afbouwen van deze heffingskorting vindt plaats tot een inkomen van € 76.817. Dit is het inkomen waar een tarief begint van 49,5%. Vanaf dit inkomen bestaat in 2025 daarom geen recht meer op de algemene heffingskorting.
Let op! Het afbouwpercentage is op basis van de voorlopige vastgestelde afbouwgrens van € 28.406 voorlopig vastgesteld op 6,337%. Als de definitieve afbouwgrens is vastgesteld, kan ook het definitieve afbouwpercentage worden vastgesteld.
Overige heffingskortingen
De bedragen van de overige heffingskortingen zoals de arbeidskorting worden per 2025 geïndexeerd met 1,2%. Het afbouwpunt van de arbeidskorting ligt vanaf 2025 waarschijnlijk rond € 43.071 (2024: € 39.957). Omdat dit afbouwpunt ook gekoppeld is aan het wettelijke minimumloon moet de definitieve vaststelling nog plaatsvinden.
Koppeling met AOW
De afbouw van de algemene heffingskorting vindt plaats vanaf waarschijnlijk € 28.406 (definitieve vaststelling afhankelijk van hoogte wettelijk minimumloon in 2025). Vanwege een netto-netto koppeling betekent dit dat ook de AOW- en bijstandsuitkeringen verhoogd worden.
Heffingskorting AOW’ers
Voor AOW-gerechtigden wordt de maximale algemene heffingskorting ook verminderd en wel per saldo met € 199. Het maximum komt voor hen op € 1.536 per jaar te liggen. Het afbouwpunt is net als voor niet-AOW’ers waarschijnlijk € 28.406.
Let op! De plannen moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen en zijn dus nog niet definitief.