De termijnen om de KOR op te zeggen en weer gebruik te maken van de KOR wijzigen met ingang van 1 januari 2025. Om daarvan meteen met ingang van 1 januari 2025 gebruik te kunnen maken, moet u uiterlijk 3 december 2024 een verzoek indienen bij de Belastingdienst.

EU

KOR

De kleine ondernemersregeling, ook wel bekend als de KOR, houdt in dat een in Nederland gevestigde btw-ondernemer gebruik kan maken van een vrijstelling. Als de omzet per jaar niet hoger is dan € 20.000, hoeft de ondernemer geen btw te berekenen over zijn omzet.

Verzoek KOR

Om de KOR te kunnen toepassen, moet een ondernemer zich tijdig vooraf bij de Belastingdienst melden. Tijdig wil zeggen uiterlijk vier weken voorafgaand van het tijdvak waarin de ondernemer de vrijstelling wil toepassen.

Let op! Bent u nog niet aangemeld voor de KOR, maar wilt u vanaf 1 januari 2025 de KOR toepassen, dan moet u zich dus uiterlijk 3 december 2024 bij de Belastingdienst melden. Aanmelden kan alleen via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Tip! Bent u niet verplicht om uw onderneming in te schrijven bij de KVK en bedraagt u jaaromzet maximaal € 1.800, dan is aanmelding voor de KOR niet nodig. Let op: vanaf 2025 gaat de maximale jaaromzet voor deze regeling omhoog naar € 2.200.

Opzeggen KOR

De KOR duurt voort totdat u de KOR bij de Belastingdienst opzegt. Tot en met 2024 moet de KOR nog minimaal drie jaren duren voordat u deze kunt opzeggen. Vanaf 1 januari 2025 geldt er geen termijn meer, maar kan u de KOR op elk moment weer beëindigen. De KOR eindigt altijd op zijn vroegst met ingang van de eerste dag van de aangifteperiode. Hiervoor moet de opzegging wel minimaal vier weken voor deze eerste dag zijn ontvangen door de Belastingdienst.

Let op! Wilt u vanaf 1 januari 2025 de KOR beëindigen, dan moet u dit dus uiterlijk 3 december 2024 bij de Belastingdienst melden. U kunt de KOR dan beëindigen per 1 januari 2025, ook als deze nog niet minimaal drie jaren duurde. Beëindigen kan alleen via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Weer aanmelden KOR

Als u de KOR heeft opgezegd, kunt u zich later toch weer aanmelden voor de KOR. Tot en met 2024 geldt een wachttijd van drie jaren na de opzegging van de KOR. Vanaf 2025 bedraagt de wachttijd nog maar het jaar van opzegging en het daaropvolgende kalenderjaar. Let wel dat voor het opnieuw aanmelden voor de KOR een termijn geldt van minimaal vier weken.

Let op! Wilt u na een eerder opzegging van de KOR in 2023 of eerdere jaren, vanaf 1 januari 2025 weer gebruikmaken van de KOR, dan moet u dit dus uiterlijk 3 december 2024 bij de Belastingdienst melden. U kunt de KOR dan weer toepassen vanaf 1 januari 2025, ook als er nog geen drie jaren verstreken zijn sinds de eerder opzegging. Aanmelden kan alleen via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Overleg met onze adviseurs

Overleg met onze adviseurs of u voldoet aan de voorwaarden voor de KOR en of toepassing van de KOR in uw situatie raadzaam is. Doet u ook zaken in het buitenland, dan kunt u mogelijk (ook) gebruikmaken van de EU-KOR. Bent u een buitenlandse ondernemer met een vaste inrichting in Nederland, dan kunt u vanaf 2025 niet langer gebruikmaken van de KOR. Onze adviseurs kunnen u meer vertellen over al deze regelingen.

De nieuwe grenzen voor 2025 van de maximale omvang van het vermogen om nog in aanmerking te kunnen komen voor zorgtoeslag zijn bekendgemaakt. Boven deze grenzen heeft u geen recht meer op de zorgtoeslag. Dit is de zogenaamde vermogenstoets.

Medisch

Zorgtoeslag

Een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor zorgtoeslag, een tegemoetkoming in uw zorgkosten, is de hoogte van uw inkomen. Heeft u een toeslagpartner, dan telt het gezamenlijke inkomen. Een andere voorwaarde voor recht op zorgtoeslag is dat u niet te veel vermogen heeft.  

Vermogenstoets 2025

De maximale omvang van uw vermogen is voor 2025 vastgesteld op € 141.896. Dat is € 1.683 hoger dan dit jaar, waar de grens nog op € 140.213 ligt. Heeft u een toeslagpartner, dan is het nieuwe bedrag van uw maximale vermogen vastgesteld op € 179.429. Dit is € 2.128 hoger dan de grens voor 2024.

Toetsdatum

De omvang van uw vermogen wordt vastgesteld op 1 januari van het betreffende jaar. Voor 2025 wordt dus gekeken naar de omvang van uw vermogen op 1 januari 2025. Het is dus zaak om er – indien mogelijk – voor te zorgen dat uw vermogen dan onder genoemde maxima komt te liggen.

Let op! Heeft u het vermoeden dat uw vermogen op 1 januari 2025 rond de maximale grens komt te liggen, neem dan contact met ons op. Wij kunnen dan met u bekijken wat de mogelijkheden zijn.

Tip! Wilt u nagaan of u in aanmerking komt voor een zorgtoeslag? Maak dan hier een proefberekening.

Rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 november 2024 geoordeeld dat de belastingrente die de Belastingdienst vanaf 2022 berekent over aanslagen vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Overweeg daarom bezwaar of een verzoek om herziening als de Belastingdienst aan u belastingrente berekent over een (voorlopige) aanslag.

Euro

Hoogte belastingrente

De belastingrente die de Belastingdienst berekent over een aanslag vennootschapsbelasting is, met uitzondering van het begin van de coronaperiode, vanaf april 2014 8% of hoger. In 2024 bedraagt deze rente zelfs 10%!

Voor overige belastingen – onder meer de inkomstenbelasting – bedroeg de belastingrente, met uitzondering van een periode van drie maanden aan het begin van de coronaperiode, 4% van april 2014 tot en met 30 juni 2023. De tweede helft van 2023 bedroeg deze belastingrente 6% en in 2024 bedraagt deze zelfs 7,5%.

Belastingrente Vpb in strijd met evenredigheidsbeginsel

Deze hoge belastingrente is al jaren een doorn in het oog van velen, maar er leek tot nu toe weinig tegen te doen. Rechtbank Noord-Nederland oordeelde onlangs echter – kort samengevat – dat het vanaf 2022 vastgestelde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting (in 2022 en 2023: 8%) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de belastingrente, naar het oordeel van de rechtbank, niet berekend mag worden naar een percentage van 8%.

Geen 8% maar 4%

Vraag daarbij is echter op welk percentage de belastingrente dan wel kan worden vastgesteld om evenredig te zijn. Over die vraag heeft de rechtbank zich niet hoeven buigen, omdat de belastingplichtige en de Belastingdienst vooraf al hadden afgesproken dat het tarief 4% zou zijn als de belastingplichtige in het gelijk zou worden gesteld. De rechtbank berekent de belastingrente daarom naar een tarief van 4%. Dit percentage lijkt te zijn ontleend aan het percentage voor andere belastingen, zoals de inkomstenbelasting, maar zekerheid daaromtrent is er niet.

Bezwaar definitieve en navorderingsaanslag

Berekent de Belastingdienst belastingrente over een definitieve of navorderingsaanslag vennootschapsbelasting? Overweeg dan om daartegen tijdig in bezwaar te komen. Tijdig betekent binnen zes weken na dagtekening van de aanslag. Het bezwaar kan, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank, betrekking hebben op vanaf 2022 berekende belastingrente.

Let op! Houd er rekening mee dat de Belastingdienst waarschijnlijk uw bezwaar niet zonder meer zal toewijzen. De kans is namelijk groot dat de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de rechtbank. Overleg daarom na ontvangst van een definitieve of navorderingsaanslag met onze adviseurs. Zij kunnen u adviseren over wat dit zou kunnen betekenen voor onder meer het verloop van uw bezwaar- en mogelijke beroepsprocedure.

Verzoek herziening voorlopige aanslag

Berekent de Belastingdienst belastingrente over een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting? Overweeg dan een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag.

Let op! Het is niet voldoende om alleen in bezwaar te komen tegen de definitieve aanslag. Als u het ook niet eens bent met de belastingrente op de voorlopige aanslag, moet u een verzoek om herziening indienen. Wijst de Belastingdienst dat verzoek af, dan kunt u daartegen in bezwaar komen. Overleg daarover met onze adviseurs. Zij kunnen u ook adviseren of het nog mogelijk is een verzoek tot herziening in te dienen tegen in het verleden opgelegde voorlopige aanslagen.

Onherroepelijke aanslagen

Is vanaf 2022 belastingrente berekend op definitieve of navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting, maar staan deze aanslagen inmiddels onherroepelijk vast? Dan heeft bezwaar maken waarschijnlijk geen zin. De Belastingdienst komt normaal gesproken dan namelijk niet tegemoet aan uw verzoek om de belastingrente te verminderen.

Ook bezwaar/verzoek andere belastingen?

De rechtbank heeft een uitspraak gedaan over de belastingrente op een aanslag vennootschapsbelasting. Wij achten de kans dat dit ook gevolgen heeft voor de belastingrente op andere belastingen niet groot, maar kunnen dat nooit helemaal uitsluiten. Overweeg daarom ook of u in actie wilt komen met betrekking tot belastingrente op andere belastingen zoals de inkomstenbelasting.

Als u een lijfrente heeft afgesloten, moet deze in principe binnen vijf jaar na de AOW-leeftijd tot uitkering komen in tijdelijke of levenslange lijfrentetermijnen. De vraag is of in plaats hiervan ook gekozen kan worden voor een nabestaandenlijfrente.

Sparen

Alternatief voor uitkeringen

Wanneer een belastingplichtige te maken heeft met een pensioentekort, kan hij zijn toekomstige inkomsten aanvullen met een lijfrente. De premies ervan die gestort worden in de jaren voor uitkering van de lijfrente zijn onder voorwaarden aftrekbaar. De Belastingdienst is van mening dat er in plaats van een lijfrente-uitkering niet gekozen kan worden voor een nabestaandenlijfrente. Bij een nabestaandenlijfrente worden de uitkeringen namelijk pas gedaan na overlijden van de verzekerde.

Afkoop

Als in plaats van lijfrente-uitkeringen toch gekozen wordt voor omzetting ervan in een nabestaandenlijfrente, wordt dit gezien als afkoop. Het gevolg is dat de waarde ervan in één keer belast wordt met inkomstenbelasting en afhankelijk van de omstandigheden ook met revisierente.

Geen aftrek

Wanneer het restant van de waarde, dus na aftrek van inkomstenbelasting en eventueel revisierente, wordt aangewend voor aankoop van een nabestaandenlijfrente, leidt dit volgens de Belastingdienst ook niet tot aftrek als uitgave voor een inkomensvoorziening.

Mag u als werkgever vakantiedagen die tijdens ziekte of bij non-actiefstelling zijn opgenomen door uw werknemer, feitelijk ook van het verlofsaldo afboeken? Zijn er omstandigheden waarbij dit wel of juist niet mag?

Voetganger

Feiten

Een werknemer functioneerde niet naar behoren. De werkgever deelde hem dit mee waarna de werknemer nog enige tijd doorwerkte. Een paar maanden later, op 28 februari 2023, meldde de werknemer zich ziek. Op 24 april 2023 werd hij door de werkgever op non-actief gesteld/vrijgesteld van werk. In die periode had hij 15 vakantiedagen opgenomen. Het betrof hier een reeds vóór de ziekmelding vastgestelde vakantie. De werknemer was het er niet mee eens dat deze dagen van zijn verlofsaldo werden afgeboekt door de werkgever en ging hierover procederen.

Oordeel gerechtshof

Bij de kantonrechter kreeg de werknemer ongelijk. Bij het gerechtshof had hij meer succes. Het gerechtshof verklaarde dat de 15 opgenomen vakantiedagen (120 uur) niet ten laste van zijn vakantiesaldo mochten worden gebracht. Het hof verwees daarbij naar een eerder arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023. In dat arrest verwees de Hoge Raad naar de wet waarin voor zover van belang staat: “Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, gelden niet als vakantie, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt. (…)”.

Vakantie al gemeld vóór ziekte?

Deze bepaling beoogt er voor zorg te dragen dat een werknemer die vóór of tijdens een al vastgestelde vakantie ziek wordt, deze vakantiedagen behoudt, zodat hij die op een later moment kan benutten. Dit betekent dan ook dat een werknemer uitdrukkelijk en gericht moet instemmen met het afboeken van vakantiedagen, telkens wanneer de omstandigheid die aanleiding geeft tot het verzuim zich feitelijk voordoet of heeft voorgedaan. 

Niet ten laste van vakantietegoed

Er was in deze zaak niet gesteld of gebleken dat de werknemer uitdrukkelijk en gericht had ingestemd met het afboeken van de 15 door hem tijdens de periode van ziekte/op non-actiefstelling opgenomen vakantiedagen. De consequentie was dat de werkgever deze dagen niet ten laste van het vakantiesaldo van de werknemer mocht brengen.