Ondernemers die tijdens de coronacrisis in financiële moeilijkheden kwamen, konden een beroep doen op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers, Tozo. Volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant dient de inkomensondersteuning van de Tozo over de eerste periode (Tozo-1) bij partners aan beiden te worden toegerekend.
Tozo
De Tozo voorzag in inkomensondersteuning en in een lening voor bedrijfskapitaal. De Tozo kende tal van voorwaarden, die gedurende de periode van toekenning verschillend waren. De Tozo was gebaseerd op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) en werd uitgevoerd door de gemeentes.
Gezamenlijk recht
Voor de Tozo-1 was bepaald dat partners er gezamenlijk recht op hadden. Om de Tozo-1 uitvoerbaar te houden, was onder meer bepaald dat er geen rekening werd gehouden met het inkomen van de partner en dat ook de zogenaamde kostendelersnorm niet werd toegepast. Dit betekent dat wanneer meerdere volwassenen samenwoonden, de Tozo niet lager werd vanwege het feit dat de kosten gedeeld werden.
Deels bij partner belast
Omdat er een gezamenlijk recht op de Tozo-1 bestond, werd de helft van de uitkering ook bij de partner belast. In bovengenoemde zaak oordeelde de rechtbank dat dit terecht is. In deze zaak had een vrouwelijke ondernemer de Tozo-1 gekregen, terwijl haar partner voor de helft werd belast. Naar zijn mening was dit onterecht, maar de rechtbank dacht hier anders over.
Nu de man mede-rechthebbende was, diende hij ook over zijn aandeel belasting te betalen. Dat de man zelf geen deel van de Tozo op zijn rekening had ontvangen, deed niet ter zake.
Verschillende brancheorganisaties uit de zorg, de zogenaamde BoZ+ partijen, hebben gezamenlijk voor hun leden een Fiscaal Kompas ZZP Zorg uitgegeven.
BoZ+ partijen
De BoZ+ partijen zijn ActiZ, de Nederlandse ggz, NFU, NVZ, VGN en Zorgthuisnl. Zij willen met het Fiscaal Kompas ZZP Zorg hun leden ondersteunen bij het treffen van de nodige voorbereidingen op het afschaffen van het handhavingsmoratorium Wet DBA per 1 januari 2025.
Let op! In het Fiscaal Kompas ZZP zorg is op pagina 2 opgenomen dat de inhoud van het Fiscaal Kompas uitsluitend bestemd is voor leden van de BoZ+ partijen. Het document is gepubliceerd op het besloten deel van de brancheorganisaties. U kunt het document dus downloaden als u bent aangesloten bij een van de brancheorganisaties.
Voorgeschiedenis
De BoZ+ partijen tekenden op 6 juli 2023 een intentieverklaring met de ministeries van VWS, SZW en Financiën en met de Belastingdienst over een Fiscaal Kader ZZP Zorg. De gesprekken hierover zijn echter opgeschort. De BoZ+ partijen wilden, gezien het naderen van de einddatum van het handhavingsmoratorium, niet langer wachten met de ondersteuning van hun leden.
Fiscaal Kompas ZZP Zorg
Daarom is voor de leden het Fiscaal Kompas ZZP Zorg vrijgegeven. Dit Kompas bevat een nadere toelichting op de relevante wet- en regelgeving voor de loonheffingen in de zorg. Het is bedoeld om zorgorganisaties te ondersteunen en het kan handvaten bieden bij het beoordelen van de arbeidsrelaties. Zo bevat het Kompas onder meer een voorbeeld(raam)overeenkomst van opdracht, een toelichting op het wettelijk kader van het Kompas en een stappenplan inhuur zorgprofessionals. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de arbeidsrelaties ligt bij de zorgorganisaties zelf.
Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst handhaven op schijnzelfstandigheid. Het handhavingsmoratorium komt dan te vervallen. Er is nog wel een overgangsjaar aangekondigd om werkgevers meer tijd te geven. Tevens gaat de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer goedkeuren.
Wet DBA
Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA), bedoeld om duidelijkheid te creëren of iemand zelfstandige is of niet. Een schijnzelfstandige is iemand die door zichzelf en zijn opdrachtgever als zzp’er wordt aangemerkt, terwijl deze persoon in werkelijkheid werknemer is. De handhaving van de wet DBA is continu opgeschort, uiteindelijk tot 1 januari 2025. Tot dat moment legt de Belastingdienst opdrachtgevers en opdrachtnemers nog geen boete of naheffing op.
Handhavingsmoratorium
Er is nu wel sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit moratorium houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid.
Handhaving in werking
Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst dus handhaven op schijnzelfstandigheid. Het handhavingsmoratorium komt dan ook te vervallen. Risicosectoren zoals de zorg, de kinderopvang, de bouw en het onderwijs zijn al extra gewaarschuwd.
Boetes en naheffingen
In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid.
Let op! Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet kan een naheffing tot maximaal vijf jaar terug worden opgelegd. De Belastingdienst gaat hierbij echter alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot 1 januari 2025, de datum van de opheffing.
Overgangsregeling
Het kabinet heeft begin september 2024 aangekondigd dat er een overgangsregeling komt: een jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Het kabinet heeft dit besluit genomen, omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden. Bijkomend punt is dat de nieuwe wet op zijn vroegst pas kan ingaan op 1 januari 2026.
Geen goedkeuring meer op modelovereenkomsten
Ook is aangegeven dat de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer gaat goedkeuren, omdat modelovereenkomsten vooraf geen zekerheid kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat.
Werkt u met zelfstandigen?
Controleer goed welke afspraken u met hen heeft gemaakt en hoe u dit heeft vastgelegd. Zorg ervoor dat de gemaakte afspraken op papier daadwerkelijk aansluiten bij de praktijk. Denk hierbij aan zaken zoals:
beding dat de zzp’er eigen verzekeringen afsluit (waaronder een aansprakelijkheidsverzekering en een arbeidsongeschiktheidsverzekering),
geef ruimte aan zzp’ers om voor andere opdrachtgevers te werken,
laat de zzp’er zelf factureren,
zorg dat de zzp’er zelf verantwoordelijk is voor zijn scholing en opleiding, en
geef de zzp’er de vrijheid om zich te laten vervangen.
Het kabinet stelt op Prinsjesdag 2024 voor om vanaf 2026 een btw-herzieningsregeling te introduceren voor investeringsdiensten van minimaal € 30.000 met betrekking tot onroerende zaken. Dit blijkt uit de Eindejaarsregeling 2024 die ter internetconsultatie is aangeboden.
Btw-herzieningsregeling investeringsgoederen
Op dit moment bestaat er al een btw-herzieningsregeling voor investeringen in roerende en onroerende goederen. In deze regeling wordt het gebruik van roerende investeringsgoederen gedurende vier jaar en het gebruik van onroerende investeringsgoederen gedurende negen jaar ná het jaar van ingebruikname gevolgd.
Als gedurende die periode het gebruik van het investeringsgoed voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties (deels) wijzigt, kan dit gevolgen hebben voor de btw-aftrek. De eerder in aftrek gebrachte btw kan dan worden herzien. Dat betekent dat mogelijk btw terugbetaald moet worden (als het gebruik wijzigt van oorspronkelijk btw-belast naar btw-vrijgesteld) of btw teruggevraagd kan worden.
Btw-herzieningsregeling investeringsdiensten
Voor investeringsdiensten aan onroerende zaken geldt op dit moment nog geen btw-herzieningsregeling. Zo kan bijvoorbeeld voor woningen die fors verbouwd worden en daarna voor een korte periode btw-belast verhuurd worden, de volledig btw in aftrek worden gebracht; ook als die woningen daarna btw-vrijgesteld verhuurd worden. De die btw-aftrek wordt dan niet herzien.
Let op! Niet elke verhuur van woningen is btw-belast mogelijk. In beginsel is de verhuur van een ongemeubileerde woning namelijk btw-vrijgesteld. Alleen in zogenaamde short-stay situaties is de verhuur met 9% btw-belast. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.
Btw-herziening investeringsdiensten
Begin 2024 werd uit een internetconsultatie al duidelijk dat het toenmalige kabinet het niet gewenst vond dat voor investeringsdiensten aan onroerende zaken geen btw-herzieningsregeling geldt. Uit een internetconsulatie van de Eindejaarsregeling 2024 van begin september jl. is op te maken dat het huidige kabinet deze mening deelt.
Daarom zal het kabinet op Prinsjesdag 2024 een wetsvoorstel indienen waarin vanaf 1 januari 2026 een btw-herzieningsregeling voor het jaar van ingebruikname plus de vier daaropvolgende jaren gaat gelden voor investeringsdiensten aan onroerende zaken vanaf € 30.000 exclusief btw.
Let op! Bij diensten aan onroerende zaken moet u denken aan verbouwingen van en onderhoud aan onroerende zaken. Als zo’n dienst vanaf 1 januari 2026 minimaal € 30.000 exclusief btw bedraagt, gaat daar volgens het wetsvoorstel een herzieningsregeling voor gelden.
Tip! De btw-herzieningsregeling gaat gelden voor investeringsdiensten die vanaf 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Neemt u deze investeringsdiensten dus vóór 1 januari 2026 in gebruik, dan worden ze niet geraakt door de regeling.
Voordelig óf nadelig?
De voorgestelde regeling kan nadelig uitwerken als de btw-herziening ertoe leidt dat u afgetrokken btw deels terug moet betalen. Als het gebruik van uw onroerend goed wijzigt van btw-vrijgesteld naar (deels) btw-belast, dan kan de voorgestelde regeling ook positief uitwerken. In dat geval heeft u namelijk recht op meer btw-aftrek.
Let op! In het eerste geval kunt u de investeringsdiensten aan onroerende zaken misschien beter vóór 1 januari 2026 plannen. In het tweede geval is ingebruikname van de diensten vóór 1 januari 2026 misschien wel ongunstiger.
De laatste jaren zijn er steeds meer zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bijgekomen. Het gaat hierbij om mensen die ofwel volledig als zelfstandige werken, ofwel dit combineren met een dienstverband in loondienst. Werkt u met zzp’ers of bent u een zzp’er? Wat is nu er wettelijk geregeld, waar moet en kunt op letten en hoe wordt er gehandhaafd?
Voor een werkgever, ofwel opdrachtgever, is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen.
Beoordeling arbeidsrelatie
In de jurisprudentie is invulling gegeven aan de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):
moet er sprake zijn van de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen en instructies te geven (gezagsverhouding);
moet de arbeid persoonlijk worden verricht;
moet de werkgever als tegenprestatie loon betalen.
Ten aanzien van het gezagscriterium heeft de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest verduidelijkt dat de rechter ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft echter slechts een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:
de aard en duur van de werkzaamheden;
de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
de hoogte van deze beloningen;
de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.
Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het verwerven van een reputatie, acquisitie, fiscale behandeling, het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
Nieuwe wetgeving: gezagscriterium
In het najaar van 2023 is er een internetconsultatie geweest van het wetsvoorstel ‘Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’. Deze wet beoogt de schijnzelfstandigheid op te lossen. Schijnzelfstandigheid ontstaat met name vanwege onduidelijkheid over de invulling van het gezagscriterium. Het wetsvoorstel streeft naar een verduidelijking van dit gezagscriterium in artikel 7:610 BW.
Volgens het conceptwetsvoorstel was sprake van gezag wanneer (abc-toets): a. de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke aansturing door de werkgever; of b. de arbeid of de werknemer organisatorisch zijn ingebed in de organisatie van de werkgever; c. de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht.
ABC’tje vervangen door WZOP-toets
Inmiddels is het wetsvoorstel eind juni 2024 in aangepaste vorm voor advies naar de Raad van State gezonden. Het ABC’tje heeft plaatsgemaakt voor de WZOP-toets, waarbij W staat voor werknemer, Z voor zelfstandige en OP voor ondernemerschap.
Werd in het conceptwetsvoorstel van oktober 2023 nog onderscheid gemaakt tussen indicator A (werkinhoudelijke aansturing) en indicator B (organisatorische inbedding), spreekt het nieuwe voorstel alleen nog van indicator W (werknemer).
Om te kunnen spreken over een werknemer kan gekeken worden naar de volgende indicatoren:
bevoegdheid om aanwijzingen te geven;
mogelijkheid tot controle en ingrijpen;
werkzaamheden worden verricht binnen organisatorisch kader van de organisatie;
werkzaamheden hebben structureel karakter;
werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers.
Opvallend is dat de indicator ‘de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteit van de organisatie’ in het nieuwe toetsingskader niet meer zelfstandig terugkomt.
Indicatoren die wijzen op werken als zelfstandige binnen de arbeidsrelatie:
financiële risico’s en resultaten liggen bij werkende;
werkende is zelf verantwoordelijk voor gereedschap, hulpmiddelen en materialen;
werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werke4rvaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie niet structureel aanwezig zijn;
werkende treedt zelfstandig naar buiten;
er is sprake van korte duur van de opdracht of van beperkt aantal uren per week.
Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de persoon (algeheel ondernemerschap) van de werkende voor soortgelijke werkzaamheden:
de werkende heeft meerdere opdrachtgevers per jaar;
werkende besteedt tijd en/of geld aan het verwerven van een reputatie en het vinden van nieuwe klanten of opdrachtgevers;
werkende heeft bedrijfsinvesteringen van enige omvang;
werkende gedraagt zich administratief als zelfstandig ondernemer: is ingeschreven bij KvK, is btw-ondernemer en/of heeft recht op fiscale vooredelen van het ondernemerschap.
Let op! Dit laatste is alleen van belang als niet duidelijk is of iemand als werknemer of als zelfstandige moet worden aangemerkt.
Tevens wordt er in een nieuw wetsartikel voorgesteld dat er op basis van een bepaald uurloon vastgesteld kan worden dat er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Wanneer een werkende minder dan € 33,00 – bedrag wordt periodiek geïndexeerd – verdient, is het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen door de werkende (of diens vertegenwoordiger). Het gaat hierbij om een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er niet automatisch een arbeidsovereenkomst ontstaat, maar de werkende kan zich in geval van een tarief onder de norm wel op het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst beroepen en gemakkelijker een arbeidsovereenkomst opeisen (bij de eigen werkgever en desnoods via de civiele rechter). Het is dan aan de werkgever om dat rechtsvermoeden te ontkrachten.
Schijnzelfstandigheid en de handhaving hierop
Een schijnzelfstandige is iemand die door zichzelf en zijn opdrachtgever als zzp’er wordt aangemerkt, terwijl deze persoon in werkelijkheid werknemer is.
Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). In verband met politieke druk, voortkomend uit in de praktijk bestaande onzekerheid over de toepassing van deze wet, is de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst opgeschort tot het moment waarop bepaalde knelpunten zijn opgelost. De opschorting duurt tot 1 januari 2025. Dit betekent dat de Belastingdienst opdrachtnemers en opdrachtgevers tot uiterlijk 1 januari 2025 geen boete of naheffing zal opleggen.
Kwaadwillenden
Er is nu wel sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit moratorium houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid.
De Belastingdienst heeft nu al de mogelijkheid ‘kwaadwillenden’ te beboeten. Deze term ziet op de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast). De Belastingdienst handhaaft in alle gevallen van kwaadwillendheid. De Belastingdienst kan handhaven bij kwaadwillenden als zij de volgende drie criteria alle drie kan bewijzen:
Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.
De Belastingdienst legt dus niet meteen een correctieverplichting op, maar de opdrachtgever moet wel de aanwijzingen opvolgen door ofwel de afspraken met de zzp’er zodanig aan te passen dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, ofwel door de werkzaamheden van de zzp’er als dienstbetrekking te laten verwerken in de loonaangifte. Hiervoor krijgt de opdrachtgever meestal drie maanden de tijd. Worden de aanwijzingen niet of niet voldoende opgevolgd, dan volgt een correctieverplichting en boete vanaf het moment van het geven van de aanwijzing.
Let op! Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst uiteindelijk (weer) handhaven op schijnzelfstandigheid. Deze keer gaat dat echt gebeuren. Het zogenaamde handhavingsmoratorium komt per genoemde datum te vervallen. Risicosectoren zoals de zorg, de kinderopvang, de bouw en het onderwijs zijn al extra gewaarschuwd. De Belastingdienst kan dan naheffen en boetes opleggen in situaties waarin er sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij door de Belastingdienst gekeken wordt naar de criteria van het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad.
Overgangsregeling handhavingsmoratorium
Het kabinet heeft begin september 2024 aangekondigd dat er een overgangsregeling komt: een jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Het kabinet heeft dit besluit genomen, omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden. Bijkomend punt is dat de nieuwe wet op zijn vroegst pas kan ingaan op 1 januari 2026.
In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid. Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet kan een naheffing tot maximaal 5 jaar terug worden opgelegd. De Belastingdienst kan alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot 1 januari 2025, de datum van de opheffing.
Ook is aangegeven dat de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer gaat goedkeuren, omdat modelovereenkomsten geen zekerheid vooraf kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat.
De lopende modelovereenkomsten kunnen nog wel worden afgemaakt tot de einddatum van de overeenkomst.
Risico’s opdrachtgever
Als achteraf sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever het risico van het betalen van (achterstallige loonbelasting), verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan een boete worden opgelegd met een terugwerkende kracht van vijf jaar.
Risico’s zzp’er
Niet alleen de opdrachtgever loopt een risico als achteraf de situatie anders blijkt te zijn. Ook zijn er risico’s voor de zzp’er. Denk aan een controle door de Belastingdienst van zijn aangifte inkomstenbelasting. Als de Belastingdienst hem niet aanmerkt als zzp’er, zal hij de aangifte corrigeren. Dit heeft als gevolg dat de aangegeven winst als loon wordt aangemerkt, waardoor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling vervallen.
Uit te voeren acties
Het is van belang nu al alert te zijn op het werken met zzp’ers. Daarvoor is het van belang de gemaakte afspraken en alle feiten en omstandigheden in kaart te brengen om vervolgens op basis van de aandachtspunten uit het Deliveroo-arrest te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Tip! Als dat het geval is, dan is het van belang te kijken of de afspraken en werkwijze zodanig kunnen worden aangepast dat er geen sprake van een arbeidsovereenkomst meer is. Dan kan het handig zijn gebruik te maken van modelovereenkomsten die zijn beoordeeld door de Belastingdienst.
Tip! Bekijk of het mogelijk is om als opdrachtgever de zzp’er een dienstverband aan te bieden indien u dit beiden een wenselijke situatie lijkt.