Op veel plaatsen in Nederland geldt dat u voor het parkeren van uw voertuig moet betalen. Maar wat nu als u wel wilt betalen, maar dit niet mogelijk is omdat de parkeerautomaat defect is? Wat vond Gerechtshof Den Haag dat er dan in redelijkheid geëist kan worden?

Navigatie

Ook bij defecte automaat betalen

In bovengenoemde rechtszaak wordt een eerder oordeel van de Hoge Raad bevestigt dat degene die beweert dat een parkeerautomaat defect is, dit moet aannemelijk moet maken. Dit kan bijvoorbeeld met getuigen of door met uw gsm vast te leggen dat de automaat niet werkt. Dat de automaat niet werkt, betekent overigens niet dat u in beginsel geen parkeerbelasting hoeft te betalen. Dit heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld.

Wat mag redelijkerwijs van u worden verlangd?

De vraag blijft natuurlijk hoe u parkeerbelasting moet betalen als de automaat defect is? Uit bovengenoemde rechtszaak blijkt weer dat u alles moet doen wat redelijkerwijs van u verlangd kan worden om de parkeerbelasting toch te betalen, bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar een automaat die wel werkt.

Enigszins in de buurt

Ook blijkt dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die er voor zorgen dat uw naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt verminderd. Dit was het geval in de zaak die voorlag bij Gerechtshof Den Haag. Het gerechtshof was van oordeel dat niet van verlangd kan worden dat een automobilist per auto op zoek gaat naar een automaat die wel werkt als die alleen op grote afstand te vinden is. In de betreffende zaak had een docent zijn auto geparkeerd en ontdekt dat de parkeerautomaat niet werkte. Een van zijn leerlingen probeerde 675 meter verder bij een andere parkeerautomaat het verschuldigde parkeergeld voor hem te voldoen, maar deze was eveneens defect. Het Hof vond niet dat de docent daarna per auto naar een parkeerautomaat had moeten gaan die wel werkte, zeker niet nu deze in een andere zone lag.

De docent had nog geprobeerd om via het telefoonnummer op de parkeerautomaat het defect door te geven, maar dit bleek niet mogelijk omdat de telefoon niet werd opgenomen. Ook op een telefoontje de dag erna om alsnog de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen, werd afwijzend gereageerd. Uiteindelijk viel er wel een naheffing parkeerbelasting op de mat.

Werkende apparatuur binnen redelijke afstand

Het gerechtshof in Den Haag vernietigde de naheffing. De docent heeft volgens het Hof redelijkerwijs gedaan wat er van hem verlangd mocht worden en bovendien moet een gemeente zorgen voor werkende apparatuur binnen redelijke afstand van de parkeerplaats. Dat er die dag verder geen meldingen over defecte apparatuur waren ontvangen, deed hier niets aan af.

Let op! Het gerechtshof oordeelde ook nog dat de docent niet verweten kon worden dat hij niet over een parkeerapp beschikte om te betalen. In de Gemeentewet en de parkeerverordening was namelijk opgenomen dat verschillende manieren van betalen waren toegestaan.

Er bestaan de nodige hobbyclubs voor autoliefhebbers in Nederland. Is de contributie van een dergelijke club ook belast met btw? En zo ja, waar hangt dit vanaf?

Auto

De rechtbank Den Haag beantwoordde deze vraag voor  een hobbyclub voor liefhebbers van terreinwagens.

Activiteiten

De club organiseerde voor haar leden de nodige activiteiten. Eén van die evenementen was een meerdaags evenement inclusief kamperen. Zowel leden als niet-leden kunnen hieraan deelnemen en onder meer met een terreinwagen rijden op een parcours met hindernissen. De leden betalen een eenmalig inschrijfgeld en jaarlijks contributie. Zij ontvangen hiervoor per e-mail een nieuwsbrief met aankondiging van het eerstvolgende evenement en kunnen deelnemen aan georganiseerde evenementen. Niet-leden betalen voor een evenement entreegeld.

Belast of niet?

De vraag voor de rechtbank was of deze activiteiten ertoe leidden dat de contributie belast moest worden met btw. De Belastingdienst stelde van wel omdat naar zijn mening de contributie betaald werd om deel te kunnen nemen aan de evenementen waarvoor niet-leden apart moesten betalen.

Te ver verwijderd verband

De rechtbank was het hier niet mee eens. De evenementen konden niet worden afgedwongen door de leden en als een evenement niet doorging, werd de contributie ook niet aangepast. Dat een lid kon dreigen zijn lidmaatschap dan op te zeggen, maakte dit niet anders. Volgens de rechtbank was er een te ver verwijderd verband tussen de evenementen en de contributie, zodat deze niet belast was met btw.

Let op! Tegen de uitspraak van rechtbank is hoger beroep in gesteld. Het gerechtshof zou mogelijk daarom nog tot een ander oordeel kunnen komen.

Als een ondernemer zijn bedrijf schenkt of iemand erft zijn bedrijf, kan gebruik worden gemaakt van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Een belangrijke voorwaarde voor de BOR is dat het bedrijf minstens vijf jaar moet worden voortgezet. Als niet meer aan deze eis wordt voldaan, moet dit bij de Belastingdienst gemeld worden en aangifte worden gedaan.

Laptop

BOR

De BOR komt er in het kort op neer dat bij vererving of schenking van een bedrijf voor een deel van de waarde een vrijstelling geldt. Over dit deel hoeft dan geen schenk- of erfbelasting te worden  betaald. Over de eerste € 1.325.253 van de waarde is de vrijstelling 100% (2024), over het eventuele meerdere is de vrijstelling 83%. Vanaf 2025 is de vrijstelling 100% over de eerste € 1.500.000 en 75% over het eventuele meerdere.

Voortzettingseis

De BOR kent enkele voorwaarden. Een daarvan is dat het bedrijf minstens vijf jaar moet worden voortgezet, dit is de zogenaamde voortzettingseis.

Let op! Betreft het een bv, dan moet de verkrijger ook minstens vijf jaar de aandelen in bezit houden.

Voortzettingseis niet (meer) haalbaar?

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom niet meer aan de voortzettingseis wordt voldaan. Denk aan de situatie dat het bedrijf verkocht is of het bedrijf vanwege faillissement niet meer wordt voortgezet. Hier vindt u voorbeelden van nog andere situaties.

Let op! Als binnen vijf jaar niet meer aan de voortzettingseis wordt voldaan, vervalt de toegepaste vrijstelling met terugwerkende kracht. Dit betekent dat alsnog de schenk- of erfbelasting betaald moet worden waarvoor eerder de vrijstelling van de BOR was toegepast.

Aangifte doen

Verkrijgers die niet langer aan de voortzettingseis voldoen, moeten dit melden bij de Belastingdienst en aangifte doen. Dit kan met dit formulier van de Belastingdienst. In dit formulier wordt onder meer gevraagd waarom u niet meer aan de voortzettingseis voldoet.

Let op! Het kabinet is van plan om de voortzettingstermijn met ingang van 1 januari 2025 te verkorten van vijf naar drie jaar.

Het kabinet wil wettelijk vastleggen dat werkende ouders met minderjarige kinderen recht krijgen op rouwverlof. Het verlof kan worden opgenomen als één van de ouders of één van de minderjarige kinderen komt te overlijden.

Handen schudden

Huidige situatie

Op dit moment bestaat er slechts recht op kort verzuimverlof bij overlijden van verwanten. Dit verlof is afhankelijk van de mate van verwantschap en duurt vaak slechts tot de dag van de uitvaart. Veelal is dit geregeld in de CAO. 

Duur voorgesteld rouwverlof

De duur van het voorgestelde wettelijke rouwverlof bedraagt vijf werkdagen bij een volledige werkweek. Deze dagen mogen flexibel opgenomen worden vanaf de dag na de uitvaart tot één jaar na het overlijden.

Het doel is langdurig verzuim na een overlijden binnen het gezin terug te dringen. Werkgevers moeten tijdens het verlof het salaris verplicht doorbetalen. Het aantal van vijf dagen is een minimum. Werkgevers kunnen hiervan ten gunste van werknemers afwijken.

Internetconsultatie

Het kabinet geeft belangstellenden via een internetconsultatie de gelegenheid op de voorstellen te reageren. Reageren kan tot en met 13 juni 2024.

Werkgevers met 100 of meer werknemers in dienst moeten vanaf 1 juli van dit jaar gegevens inzake de mobiliteit van hun werknemers registreren en in 2025 hierover rapporteren. De verplichting betreft zakelijke reizen en reizen in het kader van het woon-werkverkeer.

Typen

Doel

De verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit”, afgekort WPM. Het doel van de verplichte rapportage is inzicht verkrijgen in de CO2-uitstoot inzake de mobiliteit van werknemers. Op termijn zullen de gegevens worden gebruikt om hieraan een maximum te kunnen stellen waaraan verplicht moet worden voldaan.

Ingangsdatum uitgesteld

De verplichte melding zou oorspronkelijk ingaan op 1 januari van dit jaar, maar is verplaatst naar 1 juli om zodoende meer voorbereidingstijd te bieden. De gegevens over 2024 moeten uiterlijk 30 juni 2025 zijn ingestuurd. Indienen moet digitaal gebeuren via de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl) met behulp van eHerkenning niveau 2+.

Aantal werknemers

De verplichting geldt overigens alleen voor werkgevers die minstens 100 werknemers in dienst hebben met een werkweek van minimaal 20 uur. Het gaat om het totaal aan werknemers dat in alle vestigingen van het bedrijf werkzaam is. Uitzendkrachten en ingehuurde gedetacheerden tellen niet mee.

Aanvullende info

Op de site van de RVO treft u aanvullende informatie aan over welke gegevens u dient aan te leveren en hoe dit moet gebeuren. Daar vindt u ook een handreiking van RVO. Zo dient u onder meer onderscheid te maken in de soort vervoer en de brandstof die uw werknemers voor het reizen hebben gebruikt. Op basis van de gemelde gegevens wordt de CO2-uitstoot van uw organisatie gemeten en aan u gerapporteerd. Ook krijgt u verwijzingen naar informatie over (verdere) verduurzaming.