Het is wettelijk verplicht om de uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten te registreren in het UBO-register. Wat zijn de bestuurlijke boetes bij overtreding van deze wettelijke verplichting?

Juridisch

UBO

De UBO, Ultimate Beneficial Owner, is de uiteindelijk belanghebbende in een vennootschap of andere juridische entiteit. Het betreft de uiteindelijke eigenaren of de mensen die de uiteindelijke beslissingen nemen.

Het gaat onder meer om mensen die meer dan 25% van de aandelen hebben in een bv, of meer dan 25% eigenaar zijn in een vof of maatschap. Ook mensen die meer dan 25% stemrecht hebben bij een statutenwijziging van een stichting of vereniging zijn UBO.

Let op! Is er niemand met een belang van meer dan 25%, dan zijn de hogere leidinggevenden UBO’s. Denk aan de vennoten of bestuurders.

Register

Vennootschappen en andere juridische entiteiten zijn verplicht om zelf hun UBO’s op te geven in het UBO-register bij de KVK. Doel van het register is het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme.

Handhaving

De Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) van het Ministerie van Financiën handhaaft of de verplichte UBO-gegevens altijd juist en volledig zijn opgegeven in het UBO-register. Het gaat daarbij met name om de gegevens die nodig zijn om de UBO’s te identificeren en om de informatie over de aard en omvang van het belang dat deze UBO’s hebben.

Bestuurlijke en strafrechtelijk

De handhaving kan plaatsvinden via bestuurlijke en via strafrechtelijke weg. De beleidsregel met de bestuursrechtelijke handhaving door middel van een bestuurlijke boete is op 1 januari 2026 in werking getreden.

Hoogte bestuurlijke boete

Uit de beleidsregel volgt dat de geldboete voor een niet, onjuiste en/of onvolledige UBO-opgave maximaal een geldboete van de vierde categorie bedraagt. Op dit moment (2026) is dat een bedrag van maximaal € 27.500.

De DFEI legt in beginsel niet meteen een boete op van € 27.500.

  • Bij een eerste overtreding kan de DFEI een boete opleggen van 10% van het boetemaximum, op dit moment dus € 2.750.
  • Bij een tweede overtreding binnen vijf jaren kan de DFEI een boete opleggen van 20% van het boetemaximum, op dit moment dus € 5.500.
  • Bij een derde overtreding binnen vijf jaren kan de DFEI een boete opleggen van 40% van het boetemaximum, op dit moment dus € 11.000.
  • Bij een vierde overtreding binnen vijf jaren kan de DFEI een boete opleggen van 80% van het boetemaximum, op dit moment dus € 22.000.
  • Bij een vijfde en volgende overtreding binnen vijf jaren kan de DFEI een boete opleggen van 100% van het boetemaximum, op dit moment dus € 27.500.

Van belang zijnde omstandigheden

Bij het opleggen van de boete houdt De DFEI rekening met de volgende omstandigheden:

  • de financiële draagkracht van de overtreder;
  • de mate waarin de overtreder meewerkt aan de vaststelling van de overtreding; en
  • de maatregelen die door de overtreder na de overtreding zijn genomen om voortduring of herhaling van de overtreding te voorkomen.

Deze omstandigheden kunnen leiden tot matiging van de hoogte van de bestuurlijke boete. De stelplicht en bewijslast dat van zulke omstandigheden sprake is, ligt bij de overtreder

Last onder dwangsom

De DFEI heeft in bijzondere gevallen de mogelijkheid om te kiezen voor een andere aanpak, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom.

From July 1, 2026, a fixed customs duty of € 3 per product will be levied on imports into the EU of small parcels with a value of up to € 150.

EU

Registration in a one-stop shop system

The fixed customs duty of € 3 will apply to all goods entering the EU if the sellers from outside the EU are registered in the EU’s single window system for imports. Ninety-three percent of all e-commerce to the EU is registered in the one-stop shop system.

The levy will only apply to parcels with a value of up to € 150. Customs duties already apply to parcels worth € 150 or more.

Please note! The fixed customs duty will apply per product group. If a parcel contains three different products, a fixed customs duty of € 3 will be payable three times from July 1, 2026.

Temporary solution

The € 3 customs duty is a temporary solution until 2028. In November 2025, the Council of the European Union committed to introducing customs duties for small parcels as soon as possible. Once introduced, customs duties will be paid on all goods worth less than € 150 at the normal EU rates for the individual products. Until then, the temporary arrangement will apply from July 1, 2026, whereby a fixed customs duty of € 3 will be levied. It will therefore still be possible to undervalue parcels in order to evade and avoid tax and import duties.

Administrative costs

There is also a proposal to introduce a € 2 levy for administrative costs in addition to the fixed customs duty. This is due to take effect from November 2026, but the government is considering introducing it earlier in the Netherlands. In doing so, the Netherlands is following developments in France, Belgium, and Luxembourg. Implementation will take place on February 1, 2026, at the earliest.

Bent u werkgever of werkt u met zzp’ers, dan is het goed om op de hoogte te zijn van de wijzigingen met ingang van 1 januari 2026. Wij hebben tien belangrijke punten voor u op een rij gezet.

Handen schudden

1. 12% pseudo-eindheffing voor personenauto met CO2-uitstoot

Geen wijziging met ingang van 1 januari 2026, maar waar werkgevers nu al in hun bedrijfsvoering rekening mee moet houden, is de 12% pseudo-eindheffing in de loonbelasting vanaf 2027. Vanaf 2027 is een werkgever 12% pseudo-eindheffing verschuldigd over de cataloguswaarde van een personenauto met CO2-uitstoot die hij aan een werknemer ter beschikking stelt. De heffing geldt niet voor auto’s die niet privé gebruikt worden, waarbij woon-werkverkeerkilometers als privé worden aangemerkt. Verder geldt de heffing ook niet voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot of voor auto’s die geen personenauto zijn (bijvoorbeeld een bestelauto).

Let op! Voor personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt de heffing pas vanaf 18 september 2030.

2. Lagere bijtelling auto zonder CO2-uitstoot

Voor het privégebruik van nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt in 2026 een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Wordt in 2027 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking gesteld, dan bedraagt de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Deze bijtelling geldt voor de eerste 60 maanden na de maand waarin de auto voor het eerst is toegelaten op de weg. Voor auto’s op waterstof of zonne-energie gelden de bijtellingspercentages van 18% en 20% overigens over de gehele cataloguswaarde.

Let op! De bijtelling voor auto’s met CO2-uitstoot bedraagt in 2026 22%. Betreft het een auto van vóór 2017, dan bedraagt de bijtelling 25% over de cataloguswaarde. Dit is alleen anders als het een auto zonder CO2-uitstoot is of een auto die onder de youngtimerregeling valt. In dat geval bedraagt de bijtelling voor de auto zonder CO2-uitstoot 21% van de cataloguswaarde tot € 30.000 en 25% daarboven. Voor de youngtimer geldt 35% van de waarde in het economisch verkeer.

3. Leeftijdsgrens youngtimerregeling omhoog, overgangsregeling in 2026

De bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, bedraagt in 2026 35% van de waarde in het economisch verkeer. Dit wordt ook wel de youngtimerregeling genoemd. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.

Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.

Tip! Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder is geworden, geldt overgangsrecht. Voor deze auto mag heel 2026 uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Let op! Met ingang van 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling naar vijfentwintig jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

4. Verhoging wettelijk minimumuurloon

Per 1 januari en 1 juli wordt het wettelijk bruto minimumuurloon altijd geïndexeerd. Per 1 januari 2026 is dit voor werknemers van 21 jaar of ouder verhoogd naar € 14,71 (per 1 juli 2025 bedroeg dit nog € 14,40). Voor werknemers tussen de 15 en 20 jaar gelden minimumuurlonen die hiervan zijn afgeleid. Er is een voornemen om deze percentages per 1 januari 2027 te verhogen van 80 naar 87,5% voor een 20-jarige, voor een 19-jarige van 60 naar 75%, voor een 18-jarige van 50 naar 62,5%, voor een 17-jarige van 39,5 naar 50% en voor een 16-jarige van 34,5 naar 40%.

5. Gedeeltelijke zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid in 2026

De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid zoals die gold in 2025 wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Deze gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.
De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid, heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd konden worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.

Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en dus ook verzuimboetes opleggen.

6. Normbedrag gebruikelijk loon omhoog

Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan het normbedrag in 2025 en bedraagt € 58.000 per jaar. Welk gebruikelijk loon u in 2026 moet toepassen is niet alleen afhankelijk van dit normbedrag, maar ook van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking en van het loon van de meest verdienende werknemer van uw bv of daarmee verbonden bv’s.

7. Vrije ruimte gelijk, maar normbedragen WKR omhoog

De vrije ruimte in de WKR bedraagt in 2026, net als in 2025, 2% van de loonsom tot € 400.000 en 1,18% daarboven. Vanaf 1 januari 2027 gaat de vrije ruimte omhoog naar 2,16% van de loonsom tot € 400.00 en 1,18% daarboven.

De onbelaste vergoeding voor thuiswerken bedraagt in 2026 € 2,45 per dag (2025: € 2,40). Ook het normbedrag voor de waarde van maaltijden in kantines of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie stijgt in 2026 naar € 4,05 per maaltijd (2025: € 3,95). Het normbedrag voor huisvesting in inwoning stijgt van € 6,80 per dag in 2025 naar € 7,00 per dag in 2026.

8. Onbelaste vrijwilligersvergoeding naar € 2.200

De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding bedraagt in 2026 € 2.200 per jaar en € 220 per maand (in 2025 € 2.100 per jaar en € 210 per maand). De onbelaste vrijwilligersvergoeding moet binnen de maximale bedragen blijven en de vrijwilliger moet de werkzaamheden niet bij wijze van beroep verrichten voor aangewezen, niet-commerciële organisaties. De Belastingdienst gaat ervan uit dat de werkzaamheden niet bij wijze van beroep worden verricht als de maximumuurvergoeding in 2026 € 5,75 bedraagt (in 2025 was dit nog € 5,60). Voor vrijwilligers jonger dan 21 jaar bedraagt deze maximumuurvergoeding € 3,40 (in 2025 € 3,30).

9. Wijzigingen loonkostenvoordelen banenafspraak

Het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak is met ingang van 2026 gewijzigd. Zo heeft u voor dit LKV geen doelgroepverklaring meer nodig, maar moet u in het doelgroepregister bij het UWV nakijken of de werknemer daarin is opgenomen. Verder vervalt het maximum van drie jaren. U heeft vanaf 2026 daarom recht op dit LKV zolang de werknemer bij u in dienst is én in het doelgroepregister is opgenomen. Voor scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk bestaat vanaf 2026 geen recht meer op het LKV, tenzij u gebruik kunt maken van het overgangsrecht voor dienstbetrekkingen die vóór 2026 aanvingen. 

Let op! Een ander LKV, het LKV oudere werknemers, is per 1 januari 2026 afgeschaft voor dienstbetrekkingen die begonnen op of ná 1 januari 2024. Voor dienstbetrekkingen van vóór die tijd, blijft ook in 2026 nog recht bestaan op het LKV oudere werknemers tot het einde van de looptijd van maximaal drie jaar.

10. Vanaf 2027 geen rapportage WPM voor bedrijven tot 250 werknemers

Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn verplicht om te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, afgekort WPM. Het voornemen bestaat om bedrijven tot 250 werknemers vanaf 2027 uit te zonderen van deze verplichting. Hiervoor is wetgeving in voorbereiding. De staatssecretaris treedt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg over de handhaving tot 1 januari 2027. Hij wil graag dat gemeenten en omgevingsdiensten tot 1 januari 2027 terughoudend omgaan met hun handhavingsbevoegdheden bij bedrijven tot 250 werknemers.

De overdrachtsbelasting kent vanaf 2026 drie in plaats van twee tarieven. Daarnaast is de startersvrijstelling verhoogd. Waar moet u rekening mee houden?

Woning

Woning voor eigen gebruik

In 2026 geldt bij de overdracht van een woning die een koper zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, onder voorwaarden, een overdrachtsbelastingtarief van 2%. Dit is niet anders dan in 2025 toen hiervoor ook al het 2%-tarief gold.

Overige woningen

Wat wel gewijzigd is, is het tarief voor overige woningen. Verkrijgt u een woning die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, dan gold daar in 2025 nog een overdrachtsbelastingtarief van 10,4%. Vanaf 2026 is dit tarief 8%.

Bij overige woningen moet u denken aan een vakantiewoning, een woning die u koopt voor een studerend kind of een woning die u verhuurt.

Overig onroerend goed

Voor de verkrijging van overig onroerend goed blijft het overdrachtsbelastingtarief, net als in 2025, 10,4%.

Startersvrijstelling

Starters tot 35 jaar oud kunnen bij de aankoop van een woning die zij als hoofdverblijf gaan gebruiken, onder voorwaarden, een vrijstelling toepassen. Ze betalen dan geen overdrachtsbelasting. Een van de voorwaarden is dat de marktwaarde van de woning niet hoger is dan een bepaald bedrag.

In 2026 geldt de startersvrijstelling tot een marktwaarde van € 555.000 (2025: € 525.000). Is de marktwaarde hoger, dan geldt de startersvrijstelling niet, dus ook niet tot het bedrag van € 555.000.

Tip! Het grensbedrag voor de startersvrijstelling in 2027 is ook al bekend. In 2027 geldt de startersvrijstelling tot een bedrag van € 615.000. Voor de toepassing van de vrijstelling is de datum van de levering van de woning bij de notaris bepalend.

Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 een vast douanerecht van € 3 per product geheven.

EU

Registratie in éénloketsysteem

Het vaste douanerecht van € 3 gaat gelden voor alle goederen die de EU binnenkomen als de verkopers van buiten de EU zijn geregistreerd in het éénloketsysteem voor invoer van de EU. In het éénlocketsysteem is 93% van alle e-commerce naar de EU geregistreerd.

De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten vanaf € 150 gelden nu namelijk al douanerechten.

Let op! Het vaste douanerecht gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat is vanaf 1 juli 2026 dus 3 keer € 3 vast douanerecht verschuldigd.

Tijdelijke oplossing

De heffing van € 3 douanerecht betreft een tijdelijke oplossing tot 2028. De Raad van de Europese Unie heeft namelijk in november 2025 al toegezegd om zo snel mogelijk douanerechten voor kleine pakketten in te voeren. Na invoering zal over alle goederen van minder dan € 150 douanerechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten. Tot die tijd geldt vanaf 1 juli 2026 de tijdelijke regeling waarbij een vast douanerecht van € 3 wordt geheven. Onderwaardering van pakketten om daarmee belasting en invoerrecht te ontduiken en ontwijken, blijft daarmee dus nog wel mogelijk.

Administratiekosten

Er ligt ook een voorstel om, naast het vast douanerecht, nog een heffing in te voeren van € 2 voor administratiekosten. Dit zou in moeten gaan vanaf november 2026, maar het kabinet overweegt om dit in Nederland al eerder in te voeren. Daarbij volgt Nederland ontwikkelingen op dit vlak In Frankrijk, België en Luxemburg. Invoering zal op zijn vroegst per 1 februari 2026 plaatsvinden.