Een Vereniging van Eigenaren (VvE) hoeft geen energiebelasting te betalen over zelf opgewekte energie via zonnepanelen. Ook is geen Opslag Duurzame Energie (ODE) verschuldigd. Wat speelde er?

Zonnepanelen

Energiebelasting en ODE

De energiebelasting is bedoeld als prikkel om het energieverbruik te beperken. De belasting bedraagt ongeveer 70 cent per kuub gas en ongeveer 12 cent per kWh stroom. De ODE bestond tot 2023 en was een heffing waarmee projecten voor duurzame energie werden gefinancierd. De ODE maakt nu onderdeel uit van de energiebelasting.

Een experiment met zonnestroom

In een zaak die voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch speelde, deed een VvE in het kader van een project van het Ministerie van Economische Zaken mee aan een experiment decentrale duurzame elektriciteitsopwekking. Deze VvE was ook beheerder van dit experimentnet. Op de daken van de gebouwen zijn hiervoor zonnepanelen geplaatst, ook is er een bijbehorende zonnestroominstallatie geplaatst.

Ook was er een grootverbruikersaansluiting met een energieleverancier. Deze leverde energie als er minder energie was opgewekt dan verbruikt en nam daarnaast stroom af in de omgekeerde situatie.

Levert VvE stroom?

Voor het Hof stond allereerst de vraag centraal of de VvE stroom leverde aan de eigenaren van de appartementen. Daarvoor was van belang of de VvE als eigenaar over de stroom had kunnen beschikken. Volgens het gerechtshof was dit niet het geval, omdat de opgewekte stroom in eigendom was en bleef van de eigenaren van de appartementen. Zo kon de VvE onder meer niet besluiten om de energie aan een derde te verkopen en fungeerde ze slechts als beheerder.

Deels eigen verbruik

Het Hof was verder van oordeel dat er ook geen sprake was van gedeeltelijk eigen gebruik door de VvE voor wat betreft de energie die werd gebruikt in gezamenlijke ruimtes. Ook die ruimtes waren namelijk in eigendom van de eigenaren van de appartementen. 

Conclusie

Het gerechtshof komt tot de conclusie dat deze VvE nooit de beschikkingsmacht over de energie heeft gehad. De naheffingsaanslag inclusief rente en boete van in totaal ruim € 177.000 kwamen dan ook te vervallen.

Sommige hulpmiddelen zijn aftrekbaar als zorgkosten. Maar zijn de met die hulpmiddelen samenhangende energiekosten dan ook aftrekbaar?

Invalide

Zorgkosten

Sommige zorgkosten zijn onder voorwaarden, boven een drempelbedrag, aftrekbaar. Ook hulpmiddelen behoren daartoe. Wel gelden er enkele voorwaarden en uitsluitingen. Zo kunnen hulpmiddelen alleen aftrekbaar zijn als ze hoofdzakelijk door zieke en invalide personen worden gebruikt. 

Tip! Alles over de aftrek van zorgkosten kunt u hier nalezen.

Ook energiekosten?

De Belastingdienst heeft duidelijk gemaakt dat energiekosten op zichzelf niet aftrekbaar zijn als zorgkosten, omdat het geen stoffelijke zaak betreft. Moet bijvoorbeeld een kamer vanwege een ziekte op een bepaalde temperatuur worden gehouden, dan zijn deze energiekosten dus niet aftrekbaar.

Samenhangende kosten

Kosten die samenhangen met een hulpmiddel, kunnen daarentegen wel voor aftrek in aanmerking komen. Hierbij kan gedacht worden aan onderhouds- of verzekeringskosten. Ook energiekosten kunnen daarom in aftrek komen als zorgkosten, maar alleen als ze samenhangen met een hulpmiddel dat ook aftrekbaar is. 

Bewijslast

De bewijslast met betrekking tot de in aftrek te brengen energiekosten ligt bij belastingplichtige. Die zal het energieverbruik dienen te vermenigvuldigen met zijn gemiddelde energieprijs om zodoende de aftrek aan energiekosten te kunnen onderbouwen.

Er komt vanaf 2027 een nieuwe andere vorm van financiële steun voor het opwekken van energie via zon en wind. De bestaande subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) wordt per 2027 aangepast.

Windmolen

Europese wetgeving

De subsidieregeling SDE++ is als gevolg van Europese wetgeving niet meer mogelijk voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, zoals zonne-energie en windenergie op het land.

Nadeel SDE++

De SDE++ heeft als nadeel dat bedrijven een groot financieel voordeel behalen bij een hoge marktprijs voor stroom, terwijl de bedrijven bij een lage marktprijs subsidie ontvangen. Om de hierdoor ontstane overstimulering en oneerlijke concurrentie te voorkomen, wordt een nieuwe vorm van financiële steun ingevoerd die voor de hele EU hetzelfde is.

Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen

Het kabinet werkt aan een nieuwe wet, de ‘Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen’. Via deze nieuwe wet kan de overheid contracten afsluiten met marktpartijen die via grote opwekinstallaties zonne- en windenergie gaan leveren.

Vaste prijs

In de nieuwe wet wordt dus geen subsidie meer verstrekt, maar worden contracten afgesloten tegen een vaste energieprijs. Dit kunnen ook contracten zijn met een boven- en ondergrens in energieprijs. Bij een marktprijs onder de afgesproken ondergrens betaalt de overheid het verschil bij, terwijl in de omgekeerde situatie het bedrijf het verschil aan de overheid betaalt.

Wellicht ook kernenergie

Het wetsvoorstel heeft betrekking op het opwekken van stroom via zonne- en windenergie. Het biedt wel de mogelijkheid dat ook kernenergie en andere technieken voor duurzame energieproductie en/of CO2-reductie voor de financiële steun in aanmerking komen, maar hiervoor bestaan nu nog geen concrete plannen.

Internetconsultatie

Via een internetconsultatie stelt de overheid geïnteresseerden in de gelegenheid te reageren op het wetsvoorstel. Reageren kan via tot en met 14 november 2025.

De negatieve inkomensgevolgen in 2025 voor bepaalde deeltijdwerkers worden vanaf 2026 gecompenseerd. Dit is het gevolg van een aanpassing van het Belastingplan 2026 op verzoek van de Tweede Kamer.

Grafiek

Motie

Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.

Aanpassing arbeidskorting

Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.

Financiering aanpassing

Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:

  • de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 gaan niet door,
  • het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt 0,05% minder verlaagd (de eerste schijf komt daarmee in 2026 uit op 35,75%),
  • de komende jaren wordt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035), en
  • het hoogste tarief in de inkomstenbelasting (49,5%) is verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 opgenomen.

Hoe moet het werkelijke rendement in box 3 van een personeelslening berekend worden als de rente op die lening onzakelijk laag is?

Schenken

Personeelslening

Als een werknemer geld leent van zijn werkgever, moet de werkgever in principe een zakelijke rente berekenen. Een zakelijke rente is een rente die op het moment van aangaan van de leningsovereenkomst marktconform is. Berekent de werkgever een lagere rente, dan heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.

Let op! De werkgever kan ervoor kiezen om een rentevoordeel van een werknemer aan te wijzen in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Indien en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing. Aanwijzen in de vrije ruimte mag niet als het rentevoordeel betrekking heeft op een lening voor een eigen woning waarvan de rente aftrekbaar is in de inkomstenbelasting.

Box 3

Als de personeelslening tot box 3 behoort, ontstaat de vraag hoe in dat geval het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst geeft aan dat de werknemer zowel de daadwerkelijk betaalde rente als het rentevoordeel als negatief rendement in aanmerking kan nemen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3.