Bedrijven tot 250 werknemers worden vanaf waarschijnlijk 2027 uitgezonderd van de verplichting om over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van werknemers te rapporteren.

Auto

Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM)

Vanaf 1 juli 2024 zijn werkgevers met 100 of meer werknemers verplicht te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’, afgekort WPM.

Welke gegevens?

Bedrijven die onder deze rapportageverplichting vallen moeten veel gegevens verzamelen. Denk hierbij aan het totaal aantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer rapporteren en het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype.

Let op! De gegevens over 2024 moesten uiterlijk 30 juni 2025 ingestuurd zijn, die over 2025 moeten uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.

Uitzondering voor werkgevers tot 250 werknemers

De administratie van veel mkb-bedrijven is niet ingericht op de rapportageverplichting. Op 15 april 2025 nam de Tweede Kamer daarom al een motie aan over het afschaffen van de WPM voor bedrijven tot 250 werknemers. In een Kamerbrief is nu ook het voornemen aangekondigd om bedrijven tot 250 werknemers uit te zonderen van de verplichting.

Hiervoor is wetgeving in voorbereiding. Het streven is om deze uitzondering per 1 januari 2027 in te laten gaan. Als deze wetgeving op tijd wordt aangenomen, geldt de rapportageverplichting vanaf die datum alleen nog voor bedrijven met 250 of meer werknemers.

Tot 2027 terughoudende handhaving?

Het voornemen betekent niet dat de WPM nu al is afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers. Bedrijven met 100 of meer werknemers moeten daarom nu gewoon nog aan de rapportageverplichtingen voldoen. De staatssecretaris treedt wel met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg over de handhaving tot 1 januari 2027. Hij wil graag dat gemeenten en omgevingsdiensten tot 1 januari 2027 terughoudend omgaan met hun handhavingsbevoegdheden.

Tip! Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.

Stel je verstrekt personeel een all-in loon, loon op basis van omzet inclusief vakantiebijslag en inclusief loon over vakantiedagen. Mag je dan in vakantieperiodes terugvallen op een basisloon omdat het personeel in de vakantie niet werkt?

Invalide

Een casus van fysiotherapeuten 

In een recente procedure bij de Hoge Raad ging het om fysiotherapeuten die in dienst waren van een maatschap en met wie was afgesproken dat ze recht hadden op een loon dat een bepaald percentage van de omzet bedroeg, inclusief vakantiebijslag en loon over vakantiedagen. Het ging dus om een zogeheten all-in loon. 

De fysiotherapeuten waren van mening dat zij tijdens hun vakantie geen volledig loon uitbetaald hadden gekregen. Ze vielen immers tijdens hun vakantie terug op het garantieloon dat lager lag dan het loon dat ze normaliter ontvingen op basis van hun omzet. Om die reden vorderden ze nabetaling van loon en vakantiebijslag over de door hen opgenomen vakantie. 

Wat oordeelde de Hoge Raad? 

De Hoge Raad oordeelde dat het niet is toegestaan terug te vallen op het garantieloon, omdat een werknemer geen financieel nadeel mag voelen als hij vakantie opneemt. Anders ontstaat er een prikkel om door te werken in plaats van uit te rusten. Dat botst met het Europese recht dat juist inzet op daadwerkelijke rust en herstel. Het recht op doorbetaling van loon betreft een bepaling van dwingend recht in lijn met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. 

Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat een all-in loon in strijd is met het Europese kader voor vakantieloon als het loon tijdens vakantie lager uitvalt door het ontbreken van bijvoorbeeld omzet, zoals hier het geval was. Dit geldt ook wanneer het expliciet in de arbeidsovereenkomst vermeld staat en op de loonstrook is verwerkt.

Let op bij all-in loon

Het is dus zaak om terughoudend om te gaan met het hanteren van een all-in loon, zeker als onvoldoende duidelijk is wat de gevolgen hiervan zijn als een werknemer vakantie opneemt. Een werknemer mag immers tijdens het opnemen van vakantie niet in een nadeligere positie komen te verkeren in vergelijking met de situatie dat hij nog gewoon aan het werk zou zijn. Dit betekent dat als iemand variabele beloningscomponenten heeft zoals bijvoorbeeld een omzetafhankelijk salaris, commissie of overwerk, dergelijke beloningscomponenten ook tijdens de opname van vakantie moeten worden doorbetaald. 

Een werknemer die aandelen, vorderingen of andere rechten krijgt als beloning voor zijn werkzaamheden, kan te maken krijgen met de lucratiefbelangregeling. In deze lucratiefbelangregeling waren wijzigingen per 1 januari 2026 voorgesteld. De Tweede Kamer heeft echter een voorstel aangenomen om deze wijzigingen uit te stellen naar 1 januari 2028.

Handen schudden

Wat is de lucratiefbelangregeling? 

De lucratiefbelangregeling belast allerlei vermogensrechten die een werknemer (meestal iemand uit het management) krijgt of verwerft. Voorwaarde is dat de vermogensrechten een beloning vormen voor de werkzaamheden van de werknemer. Bij vermogensrechten gaat het om aandelen en vorderingen, maar ook allerlei vergelijkbare rechten die met een relatief lage investering een hoog rendement opleveren. 

Let op! De beoordeling of sprake is van een lucratief belang is zeker niet eenvoudig. Er kan ook sneller sprake zijn van een lucratief belang in situaties waarin de praktijk dit niet verwacht. Bovendien kan een belang dat eerst geen lucratief belang vormde, dat later alsnog worden, bijvoorbeeld door statutaire wijzigingen. Dit kan grote fiscale gevolgen hebben. Laat u hierover daarom goed adviseren door onze adviseurs.

Tip! Stem de kwalificatie, waarde en verkrijgingsprijs van lucratieve belangen af met de Belastingdienst. Zo krijgt u zekerheid over uw (latente) belastingpositie.

Belastingheffing lucratief belang in box 1 

De vermogensrechten zouden zonder nadere regelgeving worden belast in box 2 of box 3. Omdat het rendement van deze rechten nauw samenhangt met de werkzaamheden in box 1, is in de wet geregeld dat dit rendement via de lucratiefbelangregeling wordt belast in box 1. Het tarief in box 1 is afhankelijk van het andere inkomen in die box, en bedraagt dus maximaal 49,5%. 

Voorkoming lucratief belang via box 2 

Als een lucratief belang niet rechtstreeks gehouden wordt, maar via een (holding)vennootschap, kan de heffing in box 1 voorkomen worden. Dit kan door 95% van de voordelen die de holdingvennootschap uit het lucratief belang in enig jaar geniet, in hetzelfde jaar uit te keren aan de aandeelhouder(s) van die (holding)vennootschap. Dit wordt ook wel de doorstootregeling genoemd. 

Het kabinet vindt het niet terecht dat in zo’n geval alleen het tarief van box 2 (24,5% of 31%) verschuldigd is, terwijl bij een rechtstreeks lucratief belang de belasting maximaal 49,5% bedraagt. Om die reden is op Prinsjesdag 2025 het voorstel gedaan om in deze situaties een multiplier toe te passen in box 2, waardoor de belastingdruk over de doorstoot van de lucratiefbelangvoordelen zou stijgen naar maximaal 36%. 

Maximale belastingdruk 36% uitgesteld naar 2028 

De Tweede Kamer heeft echter een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor de ingangsdatum van de maximale belastingdruk van 36% wordt verschoven naar 1 januari 2028. 

Dekking: verhoging Aof-premie 

De budgettaire derving die door dit voorstel in 2026 en 2027 ontstaat, wordt gedekt door een verhoging van de Aof-premie met 0,02% in die jaren. 

Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) wordt vanaf 2026 op een aantal punten gewijzigd. We zetten de belangrijkste wijzigingen op een rij.

Zonnepanelen

Let op! De wijzigingen gelden voor de ISDE in 2026 die u in 2026 kunt aanvragen vanaf 5 januari, 12:00 uur. Vraagt u de ISDE in 2025 nog aan, dan gelden nog de bestaande huidige voorwaarden.

Bij isolatie ook subsidie voor ventilatie 

Als u isolatiemaatregelen combineert met energiezuinige ventilatietechnieken, kunt u hiervoor vanaf 2026 € 400 subsidie krijgen. Een voorbeeld is een afzuigventilator met minstens twee sensoren. U dient de subsidie binnen twee jaar na de isolatiemaatregel aan te vragen, maar kunt deze ook tegelijk aanvragen.

Wijziging subsidie lucht-waterwarmtepompen

Investeert u in meer dan één lucht-waterwarmtepomp, dan krijgt u hiervoor minder subsidie. U krijgt voor deze pompen dan alleen nog het subsidiebedrag van € 225 per kW. Voor de eerste krijgt u door een verhoging van het startbedrag naar € 1.250, € 225 meer subsidie. Ook krijgt u voor de eerste lucht-waterwarmtepomp al vanaf de eerste kW € 225 in plaats van vanaf de tweede kW.

Let op! Om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, mogen bepaalde lucht-waterwarmtepompen vanaf 2026 niet meer worden verkocht. Ook de subsidie voor deze pompen komt te vervallen.

Let op! Zakelijke gebruikers hoeven vanaf 2026 bij aanschaf van een lucht-warmtepomp geen bewijs meer op te sturen dat de aardgasmeter is verwijderd. Een bevestiging van de netbeheerder is voldoende.

Nieuwe berekening milieu-impact isolatiemateriaal

Voor ‘biobased’, ofwel milieuvriendelijk isolatiemateriaal, krijgt u extra subsidie. De manier waarop de milieuvriendelijkheid berekend wordt, gaat per 2026 veranderen. 

Overige wijzigingen 

  • Vervangt u bij het plaatsen van isolerend glas ook uw kozijnen, dan worden geen eisen meer gesteld aan de isolatiewaarde.
  • Plaatst u glas in een monumentenwoning, dan wordt de isolatiewaarde versoepeld. Daardoor kunt u ook subsidie krijgen bij voor- of achterzetbeglazing.
  • De voorwaarden voor het isolatiemateriaal bij bodemisolatie worden verruimd.
  • Bij een aansluiting op het warmtenet hoeft u geen bewijs meer op te sturen dat de aardgasmeter is weggehaald. Een bevestiging hiervan van de netbeheerder, is voldoende.  

Aanvragen 

U vraagt de ISDE aan bij Subsidie-loket.nl. Daar vindt u ook meer informatie over de mogelijkheden en de voorwaarden voor uw aanvraag. 

U wilt de kosten van het behalen van een rijbewijs aan een werknemer vergoeden. Kan dit belastingvrij? En zo ja, gaat dit dan ten koste van uw vrije ruimte?

Bedrijfswagen

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het soort rijbewijs en of het rijbewijs nodig is voor werkzaamheden van uw werknemer. 

Rijbewijs B

Een regulier bewijs benodigd voor het besturen van een auto (rijbewijs B) kunt u aan uw werknemer vergoeden. Dit kan onbelast als u deze vergoeding aanwijst als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Dit gaat dus ten koste van uw vrije ruimte. 

Gebruikelijkheidstoets 

Het vergoeden van het rijbewijs moet wel aan de gebruikelijkheidstoets voldoen. Anders kan dit niet onbelast (u kunt dan niet aanwijzen als eindheffingsloon) en moet u dit in de belastingheffing betrekken bij de werknemer. 

De gebruikelijkheidstoets betekent dat het vergoeden niet meer dan 30% mag afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. De beoordeling van deze toets vindt plaats aan de hand van onder meer de soort vergoeding en de waarde en wie de vergoeding krijgt. 

Heeft uw werknemer het rijbewijs op geen enkele manier nodig voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden, dan kan het zijn dat de Belastingdienst vindt dat de vergoeding niet gebruikelijk is. In zo’n geval kan de vergoeding van het rijbewijs B niet belastingvrij. 

Tip! De beoordeling of iets voldoet aan de gebruikelijkheidstoets is niet altijd eenvoudig. Om discussie over elke euro met de Belastingdienst te voorkomen, kunt u gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge van € 2.400. Tot een bedrag van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst de zaken namelijk in alle redelijkheid als gebruikelijk. In alle redelijkheid betekent dat het loon van de werknemer bijvoorbeeld niet lager mag worden dan het wettelijk minimumloon of bij een stagiair.

Rijbewijs E

Heeft uw werknemer al een rijbewijs B, dan kunt u een rijbewijs voor het rijden met een aanhanger van maximaal 3.500 kilogram (rijbewijs E) aan uw werknemer vergoeden. Dit kan onbelast als uw werknemer het rijbewijs E nodig heeft voor zijn werkzaamheden. 

Moet u werknemer bijvoorbeeld regelmatig met een zware aanhanger (meer dan 750 kilogram) op pad voor zijn werkzaamheden, dan heeft hij daarvoor een rijbewijs E nodig. In dat geval geldt voor de vergoeding van dit rijbewijs een zogenaamde gerichte vrijstelling voor de verbetering van de vaardigheden ter vervulling van de dienstbetrekking. De vergoeding is dan onbelast zonder dat u de vrije ruimte daarvoor hoeft aan te spreken. 

Let op! Is het rijbewijs E niet nodig voor de werkzaamheden van de werknemer, dan kan de vergoeding eventueel alsnog onbelast als u deze aanwijst als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Let daarbij wel op de gebruikelijkheidstoets, zoals hiervoor beschreven.