Of een Oekraïense vluchteling recht heeft op de toepassing van de 30%-regeling is onder meer afhankelijk van de vraag of de vluchteling door de werkgever uit een ander land is aangeworven. Verschillende rechters deden in verschillende casussen al uitspraak hierover.
Rechtbank Noord-Holland: Oekraïner al woonachtig in Nederland
Zo oordeelde rechtbank Noord-Holland eind juli 2025 over een Oekraïner. Hij verblijft vanaf 10 mei 2023 in Nederland met zijn echtgenote en kind en is vanaf 11 mei 2023 ingeschreven in basisregistratie personen (BRP) op een Nederlands adres. De Oekraïner werkt tussen 1 september 2020 en 6 november 2023 op afstand voor een in Israël gevestigd bedrijf als freelancer.
Op 6 november 2023 tekent hij een arbeidsovereenkomst en op 13 november 2023 treedt hij in dienst bij een in Nederland gevestigde werkgever. Voor de toepassing van de 30%-regeling was in geschil of de Oekraïner uit een ander land was aangeworven. Daarvoor zou zijn woonplaats op het moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst buiten Nederland gelegen moeten zijn.
De rechtbank oordeelde dat de woonplaats van de Oekraïner op het moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst in Nederland was. De rechtbank oordeelde daarbij dat het motief van de verhuizing naar Nederland niet van doorslaggevende betekenis is. Verder nam de rechtbank onder meer in aanmerking dat de Oekraïner met zijn gezin al zes maanden in Nederland woonde, voordat hij de arbeidsovereenkomst aanging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant: Oekraïner al woonachtig in Nederland
Ook rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde begin 2025 dat een Oekraïner al woonachtig was in Nederland op het moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst. De Oekraïner van wie zijn gezin vanaf 22 maart 2022 staat ingeschreven in Nederland en hij vanaf 28 september 2022, verblijft – volgens zijn eigen verklaring – vanaf 31 juli 2022 onafgebroken in Nederland. Tot oktober 2022 heeft hij op afstand gewerkt voor een Oekraïens bedrijf. Vier dagen na aankomst in Nederland stuurt hij een cv naar een Nederlandse werkgever, waar hij op 2 september 2022 een aanbod voor een baan krijgt. Hij sluit op 17 oktober 2022 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de Nederlandse werkgever en start zijn werkzaamheden in de functie van solutions engineer op 18 oktober 2022.
Rechtbank Noord-Holland: Oekraïner nog niet woonachtig in Nederland
In een andere casus van medio 2024 kwam rechtbank Noord-Holland overigens wel tot het oordeel dat een Oekraïner bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst nog in het buitenland woonde. Deze Oekraïner is in maart 2022 met zijn vrouw en kinderen naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog in zijn thuisland. Zij hebben in Nederland een tijdelijk verblijfsrecht en een tijdelijke woning gekregen. In Oekraïne huren zij een appartement. Vanaf april 2022 tot en met augustus 2022 is de Oekraïner werkzaam geweest als opvarende op een schip dat onder Liberiaanse vlag in internationale wateren voer. Op 1 september 2022 sluit hij een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse werkgever en op 11 oktober 2022 start hij met zijn werkzaamheden.
De rechtbank was van oordeel dat de Oekraïner op 1 september 2022 niet zijn woonplaats in Nederland had. Hij was dus een ingekomen werknemer en de 30%-regeling kon worden toegepast. Van belang bij dit oordeel was dat onder meer dat de Oekraïner de huurwoning in Oekraïne aanhield en de kosten daarvoor bleef betalen. Hieruit volgt dat niet de intentie bestond om langere tijd in Nederland te verblijven, maar dat het verblijf was ingegeven door de uitbraak van de oorlog in Oekraïne. Bovendien voer de Oekraïner tot en met augustus 2022 nog onder Liberiaanse vlag en had hij een tijdelijk verblijfsrecht.
Let op! In deze casus loopt inmiddels hoger beroep bij een gerechtshof.
De overheid wil dat ondernemers zo min mogelijk energie verbruiken om zo de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals CO2, te beperken. Om energie te besparen, hebben ondernemers die veel energie verbruiken een energiebesparingsplicht. Bovendien moeten deze ondernemers hier iedere vier jaar over rapporteren volgens de informatieplicht. Daarnaast bestaat er voor sommige ondernemers een onderzoeksplicht over energiebesparing.
In deze advieswijzer geven we aan wat deze plichten voor u in de praktijk betekenen en hoe u aan deze plichten kunt voldoen. Ook treft u aan waar u voor nadere informatie terechtkunt.
Energiebesparingsplicht
Als ondernemer heeft u een energiebesparingsplicht als u in een jaar op een locatie minstens 50.000 kWh aan elektra of minstens 25.000 m3 gas verbruikt. De energiebesparingsplicht betekent dat u verplicht bent alle energiebesparende maatregelen te treffen waarvan de terugverdientijd vijf jaar of minder bedraagt. Ook maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder die geen energie besparen maar die wel de uitstoot van CO2 reduceren, bent u verplicht te treffen. U voldoet aan uw plichten als u alle maatregelen uitvoert met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of als u alle maatregelen die voor u van toepassing zijn uitvoert die zijn vermeld op de Erkende Maatregelenlijst voor energiebesparing (EML). Voert u een maatregel van de EML niet uit, dan moet u een alternatieve maatregel uitvoeren die minstens evenveel energie bespaart. Heeft u een energiebesparingsplicht, dan moet u hierover iedere vier jaar rapporteren.
Let op! U moest uw rapportage uiterlijk 1 december 2023 digitaal inleveren bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). Heeft u dit nog niet gedaan, doe dit dan alsnog zo snel mogelijk. Meer informatie over de energiebesparingsplicht is te vinden via Energiebesparingsplicht vanaf 2023 (rvo.nl).
Uitbreiding besparingsplicht
Ook voor ETS-ondernemingen, de glastuinbouw en bedrijven die over een omgevingsvergunning milieu dienen te beschikken, geldt de energiebesparingsplicht per 1 juli 2023. ETS-ondernemingen zijn bedrijven die verplicht moeten deelnemen aan het Emission Trade System, een handelssysteem voor de CO2-uitstoot van de industrie. In dat systeem moeten bedrijven voor elke ton aan CO2-uitstoot één emissierecht inleveren, dat men kan kopen en eventueel verhandelen. Het aantal emissierechten wordt jaarlijks lager vastgesteld, zodat bedrijven ofwel steeds duurdere emissierechten moeten kopen, ofwel moeten investeren in het beperken van de uitstoot. De energiebesparingsplicht geldt ook voor erkende monumenten. Hiervoor gelden wel speciale regels.
Regels bij verhuur
Bent u de enige gebruiker van een gebouw, dan bent u ook verantwoordelijk voor de te nemen energiebesparende maatregelen én voor de te leveren informatie hierover. Voor maatregelen met betrekking tot het gebouw treedt u in overleg met de eigenaar. De eigenaar van het gebouw is verantwoordelijk voor de maatregelen hieromtrent, tenzij anders contractueel is afgesproken. De maatregelen waarvoor u als huurder verantwoordelijk bent, dient u ook zelf te nemen. Bij een gebouw met meerdere huurders is de eigenaar verantwoordelijk voor de te nemen energiebesparende maatregelen aan het gebouw. De huurders zijn verantwoordelijk voor de maatregelen van het proces. Het ligt voor de hand dat de gebouweigenaar, bij weinig processen die plaatsvinden bij de huurders, ook rapporteert namens de huurders.
Let op! Het ligt voor de hand dat degene die de maatregelen uitvoert ook rapporteert over de maatregelen. Er zijn bijvoorbeeld situaties, zoals in winkelcentra, dat de eigenaar van het winkelcentrum rapporteert over de collectieve voorzieningen, zoals een roltrap of verlichting en dat de huurder verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de maatregelen en hierover dan ook rapporteert.
Erkende Maatregelenlijst energiebesparing (EML)
Als voor uw bedrijf de energiebesparingsplicht geldt, dan moet u bij de RVO iedere vier jaar rapporteren welke energiebesparende maatregelen u heeft genomen. Uw rapportage stelt u op aan de hand van de Erkende Maatregelenlijst energiebesparing (EML). Op deze lijst staan energiebesparende maatregelen waarvan de terugverdientijd vijf jaar of minder bedraagt. Van de op de EML genoemde maatregelen geeft u aan of u deze heeft uitgevoerd of dat u een alternatieve maatregel heeft uitgevoerd.
Let op! Momenteel ligt er een wetsvoorstel om de terugverdientijd van vijf jaar naar zeven jaar te brengen. Dit zal mogelijk vanaf de volgende rapportageronde in 2027 het geval zijn. Door de RVO is echter aangegeven, dat de extra energiebesparing die dit oplevert, niet valt te bepalen.
De EML kent drie onderdelen, te weten ‘gebouwen’, ‘faciliteiten’ en ‘processen’. Per categorie moet u bekijken of deze voor u relevant is. Zo ja, dan dient u de maatregelen uit te voeren. Voor gebouwen betreft dit bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen voor de verwarming van het gebouw of voor de verlichting van de binnenruimte. Bij faciliteiten treft u onder meer energiebesparende maatregelen aan voor de koeling van producten, voor roltrappen of met betrekking tot uw serverruimte. Voor energiebesparende maatregelen inzake processen kunt u onder meer denken aan maatregelen om warmteverlies te beperken en aan energiebesparende maatregelen voor veehouderijen.
Of u een maatregel van de EML direct dient uit te voeren, hangt af van diverse omstandigheden. Onder meer de uitgangssituatie is hiervoor van belang. Zo kunt u bijvoorbeeld geen energie met betrekking tot warmte besparen in een ruimte die niet verwarmd is. Ook technische factoren zijn van belang. Brandt in een bepaalde ruimte gedurende de dag slechts kort de verlichting, dan zal de terugverdientijd van energiebesparende verlichting te lang zijn. Ook kunnen sommige energiebesparende maatregelen pas op een later moment rendabel zijn. Als u bijvoorbeeld op een bepaald moment uw gevel dient te renoveren, kan het rendabel zijn dan gelijk te kiezen voor isolerend glas.
Let op! Voor de glastuinbouw geldt sinds 1 juli 2023 ook de energiebesparingsplicht. Voor deze sector is een specifieke EML beschikbaar.
EED-auditplicht
Naast de energiebesparingsplicht en de hieraan gekoppelde rapportageplicht bestaat er de Europese Richtlijn Energie-Efficiëntie (EED). Deze plicht geldt alleen voor grote bedrijven. Dat wil zeggen dat u minstens 250 werknemers (fulltime) in dienst heeft. De plicht geldt daarnaast ook als uw omzet meer dan € 50 miljoen bedraagt en uw balanstotaal meer dan € 43 miljoen is.
Let op! DE EED-auditplicht wordt gewijzigd. In de herziene EED-plicht gaat het niet meer om de vraag of uw bedrijf als grootbedrijf wordt aangemerkt, maar bepaalt het energiegebruik van de onderneming of die onder de EED-plicht valt. Naar verwachting treedt de wijziging halverwege 2026 in werking. Tot die tijd geldt de plicht volgens bovengenoemde eisen.
Het doel van de EED-auditplicht is om bedrijven inzicht te geven in hun energiegebruik en aan te geven op welke manieren energie bespaard kan worden. U dient met name te rapporteren welke energiebesparende maatregelen u kunt nemen en welke besparing dit oplevert. De rapportage op grond van de EED beperkt zich niet tot maatregelen met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar. Voor de EED kunt u desgewenst gebruikmaken van slablonen die u aantreft op de site van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (rvo.nl).
Ook ‘vervoer’ maakt onderdeel uit van de rapportageplicht over de EED, maar alleen voor zover u binnen uw bedrijf zelf het vervoer verzorgt. Besteedt u het vervoer uit, dan is de vervoerder eventueel rapportageplichtig, als deze aan de voorwaarden voor de plicht voldoet. Het woon-werkverkeer van uw werknemers valt niet onder de rapportageplicht. Onderdeel van de rapportage is onder meer een overzicht van het totaal gemeten energieverbruik van uw bedrijf alsmede een uitsplitsing van het energieverbruik voor de processen, gebouwen, installaties en vervoer van uw onderneming. Ook dient u een lijst van energiebesparende maatregelen op te nemen, waarbij u gebruik kunt maken van bovengenoemde EML.
U dient iedere vier jaar te rapporteren. Dit is opengesteld op 4 juli 2023. De rapportage dient digitaal aangeleverd te worden bij de RVO. Hiervoor heeft u eHerkenning niveau 2+ of hoger nodig.
Let op! U bent wettelijk verplicht uw EED-rapportage aan te leveren. Doet u dit niet, dan kan de RVO u een last opleggen met een dwangsom. Voldoet u dan nog niet aan uw verplichting, dan dient u de dwangsom te betalen.
Tip! Als u investeert in een energiebesparende maatregel waarop de Energie-investeringsaftrek (EIA) van toepassing is, komen de rapportagekosten ook voor de EIA in aanmerking. De EIA bedraagt in 2025 40%. Uw investeringsbedrag dient minstens € 2.500 te bedragen. Het bedrag dat maximaal voor de EIA in aanmerking komt, bedraagt in 2025 € 151 miljoen.
Onderzoeksplicht
Grote energie verbruikende bedrijven kunnen ook nog te maken hebben met een onderzoeksplicht over energiebesparing. Dit geldt voor locaties van bedrijven met een jaarlijks energiegebruik vanaf 10 miljoen kWh elektriciteit of 170.000 m3 aardgas. Of de onderzoeksplicht op de activiteiten van uw bedrijf van toepassing is, hangt af van wie de milieuregels voor de milieubelastende activiteit van uw bedrijf bepaalt. Om te bepalen of er een onderzoeksplicht geldt voor de locatie kunnen ondernemers het stappenplan raadplegen: Stappenplan Energiebesparing Rapportageplicht (rvo.nl).
De onderzoeksplicht houdt in dat u eens per vier jaar onderzoekt welke energiebesparende maatregelen u moet nemen. Dit dient u digitaal te rapporteren bij de RVO. U moet in uw rapportage ook aangeven welke maatregelen u de voorafgaande periode al heeft genomen.
Let op! De eerstvolgende rapportage moest uiterlijk 1 december 2023 bij de RVO binnen zijn. Heeft u deze nog niet ingediend, doe dit dan alsnog zo snel mogelijk.
Wettelijk is bepaald over welke aspecten van uw bedrijfsvoering u met betrekking tot energiebesparing moet rapporteren. Dit betreft onder meer een analyse van uw energieverbruik, waaronder een opgave van onbenutte warmtestromen alsmede een inventarisatie van kosteneffectieve CO2-reducerende maatregelen. Ook hiervoor kunt u gebruikmaken van de EML. Voor uw rapportage is wettelijk vastgelegd hoe u de terugverdientijd van een investering en de CO2-reductie dient te berekenen. U kunt voor uw rapportage gebruikmaken van sjablonen die u kunt vinden op de site van de RVO.
Fiscale maatregelen m.b.t. energiebesparing
Voor maatregelen waarvan de terugverdientijd langer is dan vijf jaar, bestaat geen plicht deze uit te voeren. Voor dergelijke maatregelen komt u vaak wel in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek (EIA). Deze aftrek is met name bedoeld voor energiebesparende investeringen die, gelet op het rendement, nog onvoldoend rendabel zijn. Door hiervoor een fiscale aftrek te verlenen, dalen de nettokosten van de investering en is deze eerder rendabel.
Alleen bedrijfsmiddelen die op de zogenaamde Energielijst staan, komen voor de EIA in aanmerking. De Energielijst kunt u inzien en downloaden op de site van de RVO en wordt ieder jaar vernieuwd. De EIA levert voor investeringen in het jaar 2025 een extra aftrek van de winst op van 40%. Het totale maximumbedrag dat voor de EIA in aanmerking komt, bedraagt € 151 miljoen. Een investering in een bedrijfsmiddel dat bijvoorbeeld € 100.000 kost en op de Energielijst staat, levert dus een extra aftrek op de winst op van € 40.000.
Handhaving
Een onderneming die voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden is wettelijk verplicht energiebesparende en/of CO2-reducerende maatregelen te treffen, te rapporteren en/of te informeren. Zijn er maatregelen genomen die niet staan vermeld op de EML, dan is het bevoegd gezag ook gerechtigd te controleren of de genomen alternatieve maatregelen voldoende zijn geweest. Voldoet een onderneming niet aan haar plichten, dat is het bevoegd gezag gerechtigd om eerst een waarschuwingsbrief te versturen. Ook kan het bevoegd gezag een dwangsom opleggen. Het bevoegd gezag is veelal de gemeente, de provincie of het Rijk. De hoogte van de dwangsom moet evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en is bedoeld om bedrijven er alsnog toe te brengen de vereiste maatregelen te nemen dan wel te rapporteren en/of te informeren. Een bedrijf moet de dwangsom betalen als niet alsnog aan de wettelijke plichten wordt voldaan, vóór de termijn die daartoe door het bevoegd gezag gesteld is. Bij het vaststellen van deze termijn wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is om een geconstateerde overtreding te beëindigen. Een dwangsom kan herhaald worden bij het niet blijven voldoen aan de wettelijke regels.
Meer informatie: RVO
De energiebesparingsplicht, de informatieplicht en de rapportageplicht bestaan voor de gemiddelde ondernemer uit behoorlijk ingewikkelde regelingen. Er zijn tal van bedrijven die ondernemers deze werkzaamheden tegen betaling uit handen kunnen nemen. Als u googelt op ‘energiebesparingsplicht advies’ blijkt dat er aan adviseurs keuze genoeg is.
Op RVO.nl kunt u terecht voor alle informatie die op uw specifieke situatie, voor uw branche of bedrijf, van toepassing is. Via deze site dient u ook uw rapportages digitaal aan te leveren, waarvoor eHerkenning niveau 2+ of hoger met machtiging RVO-diensten niveau eH2+ nodig is.
Meer informatie: DEB
Voor informatie over de energiebesparingsplicht en rapportageplichten kunt u ook terecht op de site deb.nl (duurzaam energie besparen). DEB verstrekt informatie aan ondernemers die geconfronteerd worden met de wettelijke plichten op dit gebied, maar ook aan ondernemers die niet verplicht zijn tot energiebesparende maatregelen en overwegen om hier uit het oogpunt van kostenbesparing toe over te gaan.
Tip! DEB heeft een praktisch overzicht van alle 149 maatregelen die deel uitmaken van de EML.
DEB werkt samen met tal van branches, zodat de informatie zo veel mogelijk toegespitst is op de persoonlijke situatie van de ondernemer. U kunt op de site van DEB kosteloos inloggen en hier een eigen account aanmaken.
Voorbeeld Als voorbeeld noemen we de maatregel tot plaatsing van een dubbelwandige vaatwasmachine in grootkeukens, zoals aanwezig in de horeca. Op de site van DEB treft u deze aan bij de maatregelen in de categorie ‘faciliteiten’. De site geeft aan dat een dubbelwandige vaatwasmachine vanwege de dubbele wanden minder warmteverlies heeft, waardoor water niet opnieuw opgewarmd hoeft te worden, wat energie bespaart. Deb.nl bevat ook informatie over beschikbare subsidies en bevat namen en contactinformatie van energieadviseurs. U kunt zich bij DEB aanmelden voor een speciale nieuwsbrief, zodat u altijd op de hoogte bent van het laatste nieuws en de nieuwe maatregelen.
Disclaimer Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.
Voor investeringen in roerende en onroerende goederen geldt nu al een btw-herzieningsregeling. Vanaf 2026 gaat ook een btw-herzieningsregeling gelden voor diensten van minimaal € 30.000 aan onroerende zaken.
Herzieningsregeling roerende en onroerende goederen
Voor de btw-herzieningsregeling in investeringsgoederen wordt het gebruik van roerende investeringsgoederen gedurende vier jaar en het gebruik van onroerende investeringsgoederen gedurende negen jaar ná het jaar van ingebruikname gevolgd.
Als het investeringsgoed gedurende die periode in meer of mindere mate wordt gebruikt voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties, kan dit gevolgen hebben voor de bij investering in aftrek gebrachte btw. Die wordt dan mogelijk herzien. Wijzigt het gebruik van btw-belast naar btw-vrijgesteld, dan kan dit betekenen dat btw terugbetaald moet worden. Andersom kan wellicht btw worden teruggevraagd als het gebruik wijzigt van btw-vrijgesteld naar btw-belast.
Herzieningsregeling diensten van minimaal € 30.000
Voor diensten aan onroerende zaken gaat vanaf 2026 ook een btw-herzieningsregeling gelden. Investeringsdiensten aan onroerende zaken vanaf € 30.000 (excl. btw) worden vanaf 2026 gevolgd in het jaar van ingebruikname, plus de vier daaropvolgende jaren. Wijzigt in die periode het gebruik voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties, dan wordt de btw-aftrek op de investeringsdienst herzien.
Om welke diensten gaat het?
De btw-herzieningsregeling geldt alleen voor diensten die de onroerende zaak meerjarig dienen (investeringsdiensten). Denk hierbij aan het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van onroerende zaken, maar ook aan met een verbouwing samenhangende sloopwerkzaamheden.
Ook materialen, installaties, machines en werktuigen die opgaan in dienst en na installatie of montage hun zelfstandigheid verliezen, worden gezien als onderdeel van de investeringsdienst.
Minimaal € 30.000 exclusief btw
Alleen investeringsdiensten van minimaal € 30.000 (excl. btw) worden geraakt door de btw-herzieningsregeling voor diensten. De grens van € 30.000 geldt per dienst. Als bijvoorbeeld een schilder voor € 25.000 (excl. btw) de buitenkozijnen en deuren van een pand schildert en een elektricien voor € 10.000 (excl. btw) werkzaamheden aan de binnenkant van het pand verricht, is de btw-herzieningsregeling niet van toepassing. Beide diensten blijven immers onder de € 30.000.
Let op! De verwachting is dat diensten gesplitst zullen worden, maar tijdens de parlementaire behandeling van de btw-herzieningsregeling is al opgemerkt dat een dienst die kunstmatig wordt opgeknipt in meerdere diensten als één dienst zal worden aangemerkt.
Kunt u nu nog iets doen?
De btw-herzieningsregeling gaat gelden voor investeringsdiensten die vanaf 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Neemt u deze investeringsdiensten dus nog vóór deze datum in gebruik, dan worden ze niet geraakt door de regeling.
Let op! Als ingebruikname mogelijk is vóór 1 januari 2026, lijkt dat verstandig als de nieuwe regeling ertoe leidt dat u afgetrokken btw deels moet terugbetalen. Als het gebruik van uw onroerend goed wijzigt van btw-vrijgesteld naar (deels) btw-belast, kan de regeling echter ook positief uitwerken. In dat geval heeft u namelijk recht op meer btw-aftrek. Als het uitstellen van de ingebruikname tot 2026 mogelijk is, lijkt dat in die situatie verstandig.
De bedrijfsopvolgingsregeling, BOR, en de doorschuifregeling, DSR, bij schenken en overlijden zijn de afgelopen jaren flink gewijzigd. Ook per 2026 vinden weer wijzigingen plaats.
Fiscale faciliteiten bedrijfsopvolging
Bij schenken of ervan van een onderneming kan, onder voorwaarden, gebruikgemaakt worden van de BOR en de DSR. De BOR betreft een forse vrijstelling en de DSR de mogelijkheid om de te betalen belasting door te schuiven, op voorwaarde dat de onderneming wordt voortgezet.
Wijzigingen per 2025: vrijstelling en voortzetter
Met ingang van 2025 is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de BOR en DSR. Zo bedraagt de vrijstelling van de BOR in 2025 100% tot € 1.500.000 en 75% daarboven. De voorwaarde dat de voortzetter al 36 maanden in dienst is bij de onderneming die wordt geschonken, is met ingang van 2025 voor de DSR van aandelen vervallen.
Let op! Voor de DSR van de onderneming in de inkomstenbelasting geldt deze voorwaarde overigens nog wel!
Vanaf 2025 moet de verkrijger van aandelen minimaal 21 jaar oud zijn voor toepassing van de BOR en DSR van aandelen.
Wijzigingen per 2025: voortzettingstermijn en ondernemingsvermogen
De verplichte voortzettingstermijn bedraagt vanaf 2025 drie jaar.
Let op! Voor verkrijgingen die zich voordoen vóór 1 januari 2025 bedraagt de voortzettingstermijn nog vijf jaar. De termijn van drie jaar geldt alleen voor verkrijgingen vanaf 1 januari 2025.
Voor de berekening van de hoogte van de vrijstelling van de BOR telt in 2025 niet langer 5% van het beleggingsvermogen mee als ondernemingsvermogen. Ook kunnen in 2025 bedrijfsmiddelen met een waarde vanaf € 100.000 die ook voor andere dan zakelijke doeleinden worden gebruikt (bijvoorbeeld voor privé) niet meer geheel tot het ondernemingsvermogen worden gerekend voor de vrijstelling van de BOR.
Let op! Vanaf 2024 wordt aan derden ter beschikking gesteld (waaronder verhuur) onroerend goed standaard aangemerkt als beleggingsvermogen. Dit onroerend goed komt vanaf 2024 dus al niet meer in aanmerking voor de BOR en DSR van aandelen.
Wijzigingen per 2026: voortzettingstermijn en bezitstermijn
Vanaf 2026 wordt het eenvoudiger om in bepaalde situaties van structuur of rechtsvorm te veranderen, zonder dat dit in strijd komt met de verplichte voortzettingstermijn en bezitstermijn.
Ook wordt van die datum het onbedoeld dubbel gebruik van de BOR tegengegaan en treden maatregelen tegen zogenaamde rollatorinvesteringen in werking. Zo geldt vanaf 2026 een langere bezitstermijn voor schenkers en erflaters die later dan twee jaar na hun AOW-leeftijd met de onderneming zijn gestart.
Verder is vanaf 2026 een definitie van preferente aandelen in de wet opgenomen. Aandelen met een wezenlijke voorrang op winst of liquidatieopbrengsten worden als preferent gezien. Deze nieuwe definitie kan gevolgen hebben als sprake is van verschillende soorten aandelen.
Wijzigingen op een later moment
In het Belastingplan 2025 was ook nog het voorstel opgenomen om de BOR en DSR van aandelen vanaf 1 januari 2026 alleen nog maar te laten gelden voor gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Winstbewijzen, opties op aandelen en trackingstocks zouden dan vanaf die datum niet meer voor de BOR en DSR in aanmerking komen. Het is nog onduidelijk of en zo ja wanneer dit voorstel wordt ingevoerd.
Let op! Alle overige wijzigingen zijn al eerder door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen en dus definitief.
Het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) is naar de Raad van State gestuurd. Daarmee is het voorstel voor deze verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen weer een stap dichterbij.
Aanleiding Baz
Aanleiding van het wetsvoorstel is dat ongeveer 75% van de zelfstandigen op dit moment niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is over het algemeen omdat ze de kosten te hoog vinden, maar een deel van de zelfstandigen kan zich door leeftijd of ziekte ook niet verzekeren. Het kabinet wil dat zelfstandigen meer zekerheid krijgen over hun inkomen en hoopt daar met het wetsvoorstel Baz voor te zorgen.
Baz
In het wetsvoorstel Baz wordt elke zelfstandige verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid tot de AOW-leeftijd. Dat kan door deelname aan de Baz, maar ze kunnen ook, onder voorwaarden, voor een private verzekering kiezen.
Ten opzichte van een eerder voorstel zijn er aanpassingen gedaan in het wetsvoorstel dat naar de Raad van State is gestuurd.
Lagere premie
Zo is de premie verlaagd van 6,5 naar 5,4% van de winst van de zelfstandige, met een maximum van naar verwachting € 171 bruto per maand.
Let op! Zelfstandigen die ook in loondienst werken zijn al verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Hebben zij vanuit de WIA al recht op een uitkering op het niveau van het minimumloon, dan hoeven zij straks geen Baz-premie te betalen.
Langere wachttijd
Ook de wachttijd voordat een zelfstandige een AOV-uitkering krijgt, is verlengd naar twee jaar. Dit is vergelijkbaar met de wachttijd van een zieke werknemer voor een WIA-uitkering.
Vervolg
Het wachten is nu op het advies van de Raad van State. Daarna moet het wetsvoorstel nog aan de Tweede Kamer worden aangeboden en moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen. Het is daarom nog niet zeker of, en zo ja vanaf wanneer er een verplichte AOV voor zelfstandigen komt.