Het maximumpremieloon en de percentages voor de premie Zvw voor 2026 zijn bekendgemaakt. Het maximumpremieloon stijgt, de percentages voor de premie Zvw dalen.

Ordners

Maximumpremieloon stijgt

Het maximumpremieloon is het maximale loon waarover premies werknemersverzekeringen verschuldigd zijn. Dit maximumpremieloon stijgt de afgelopen jaren met grote stappen. Waar dit in 2023 nog € 66.956 bedroeg, wordt dit in 2026 vastgesteld op € 79.409. In 2025 bedraagt dit nog € 75.864.

Percentages premie Zvw dalen

Er bestaan twee percentages voor de premie Zvw:

  • Betaalt de werkgever de premie Zvw, dan bedraagt dit percentage in 2025 6,51%. In 2026 daalt dit naar 6,10%.
  • Betaalt de verzekeringsplichtige zelf de premie Zvw, dan bedraagt het percentage in 2025 5,26%. In 2026 daalt dit naar 4,85%. Dit is bijvoorbeeld het geval bij dga’s die niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.

Let op!De percentages vallen in 2026 voornamelijk lager uit vanwege een eenmalig voordeel in het Zorgverzekeringsfonds. Het voordeel is ontstaan doordat er in het verleden meer Zvw opgehaald is dan verwacht. Dit voordeel wordt in 2026 teruggegeven in de vorm van een daling van de percentages.

Ook daling maximale premie Zvw

Dankzij de daling van de percentages, daalt ook de maximale premie Zvw in 2026 ten opzichte van 2025. Zo bedraagt de maximale door een werkgever verschuldigde premie in 2025 nog € 4.938 (6,51% van € 75.864), maar daalt deze in 2026 naar € 4.843 (6,10% van € 79.409). De maximale door de verzekeringsplichtige verschuldigde premie bedraagt in 2025 nog € 3.990 (5,26% van € 75.864), maar daalt in 2026 naar € 3.851 (4,85% van € 79.409).

De Stichting van de Arbeid (STAR) heeft cao-partijen geïnformeerd over RVU-regelingen die in 2026 ingaan. Welke nieuwe regelingen zijn dit?

Juridisch

Let op!De nieuwe RVU-regelingen zijn nog niet gevalideerd door het Expertisecentrum zwaar werk van TNO.

Zwaar werk

Het kabinet en centrale werkgevers- en werknemersorganisaties hebben op 18 oktober 2024 afgesproken dat een regeling vervroegde uittreding (RVU-regeling) vanaf 2026 alleen nog maar mag worden toegepast op werknemers die zwaar werk verrichten. Een generieke toepassing is niet langer mogelijk. De doelgroep moet op basis van objectieve criteria worden onderbouwd en afgebakend gericht op belastende functies en werkzaamheden. De afbakening en onderbouwing moeten daarnaast worden gevalideerd. De validering van de afspraken vindt plaats door het Expertisecentrum zwaar werk van TNO.

Afhandeling laat op zich wachten

De afhandeling van het valideringsproces bij het Expertisecentrum duurt echter langer dan aanvankelijk was voorzien. De STAR heeft kenbaar gemaakt dat nog niet gevalideerde RVU-regelingen in 2026 kunnen ingaan, als cao-partijen zorgen voor een afbakening. Ook moet de afspraak gekoppeld zijn aan een extra inzet op duurzame inzetbaarheid voor zwaar werk. Intussen kan het valideringsproces bij het Expertisecentrum gewoon worden doorlopen.

Nieuw! Vragen en antwoorden validatieproces

Het Expertisecentrum heeft een lijst met vragen en antwoorden over het validatieproces gepubliceerd. De STAR heeft ook informatie toegestuurd met onder meer de handreiking over RVU-afspraken en de toetsingscriteria van het Expertisecentrum. Momenteel werken centrale werkgevers- en werknemersorganisaties aan een uitgebreidere lijst met de meest gestelde vragen en antwoorden daarop, die op korte termijn op de website van de Stichting van de Arbeid is te vinden.

De kosten van een elektrische aankoppelbare handbike vallen onder zorgkosten. U mag deze kosten in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting. Er zijn wel voorwaarden. Welke?

Invalide

Aftrekbare zorgkosten

Niet alle uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit zijn in de inkomstenbelasting aftrekbaar als zorgkosten. In de wet is een opsomming gegeven van aftrekbare zorgkosten én worden bepaalde zorgkosten van aftrek uitgesloten.

Hulpmiddelen

Uitgaven die vanwege ziekte of invaliditeit worden gedaan voor andere hulpmiddelen zijn aftrekbaar als zorgkosten. Voorwaarde is dat deze hulpmiddelen van een dusdanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.

Elektrisch aankoppelbare handbike

Een elektrische aankoppelbare handbike kan aan een rolstoel worden bevestigd. Het zorgt ervoor dat de rolstoel met handen en armen voortbewogen kan worden. De Belastingdienst bevestigt dat een elektrische aankoppelbare handbike hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Daarmee is het een ander hulpmiddel en kan het aftrekbaar zijn als zorgkosten.

Geen aftrek voor rolstoel

Een rolstoel zelf is overigens niet aftrekbaar als zorgkosten. Deze is namelijk expliciet in de wet van aftrek uitgesloten, omdat een aanvraag van een rolstoel via de Wmo mogelijk is.

Let op!Dat een rolstoel niet aftrekbaar is, doet niet af aan de aftrekbaarheid van de elektrische aankoppelbare handbike.

Afschrijving of bedrag ineens

In principe kan het totaalbedrag van de aanschaf van een elektrische aankoppelbare handbike niet in één jaar in aftrek worden gebracht. U kunt ‘slechts’ de jaarlijkse afschrijving voor aftrek opvoeren.

Let op!De Belastingdienst geeft aan dat over het algemeen mag worden uitgegaan van een afschrijvingstermijn van vijf jaar en een restwaarde van 10% bij de afschrijving van hulpmiddelen.

Als de elektrische aankoppelbare handbike specifiek aan een situatie is aangepast en daardoor geen of een geringe marktwaarde heeft omdat deze niet meer te verkopen is, kan het bedrag van de aanpassing wel in één jaar in aftrek komen.

Overige voorwaarden

Voor de aftrek zorgkosten in de inkomstenbelasting gelden nog meer voorwaarden. Zo komen de zorgkosten bijvoorbeeld alleen in aftrek als deze meer bedragen dan een bepaalde drempel.

Tip! Neem voor meer informatie over de aftrek in uw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Pensioenfondsen hoeven vooralsnog geen btw te berekenen over hun pensioenpremies. De staatssecretaris van Financiën sluit niet aan bij twee uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Euro

Wat speelt er?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed eind september 2025 twee uitspraken over pensioenpremies en btw. De eindconclusie in deze twee uitspraken was dat het uitvoeren van een pensioenregeling niet onder een btw-vrijstelling valt. Gevolg was dat het betreffende pensioenfonds recht had op btw-aftrek, maar ook dat de volledige pensioenpremie belast was met btw.

Let op!Gerechtshof Amsterdam oordeelde in februari 2023 anders. In die uitspraak was de btw-vrijstelling wel van toepassing.

Kostenverhogend

Door de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zouden pensioenpremies belast moeten worden met btw. Dit is zeer ongunstig voor bedrijven die geen recht hebben op aftrek van btw, bijvoorbeeld bedrijven die alleen maar btw-vrijgestelde prestaties verrichten. De btw werkt voor deze bedrijven kostenverhogend.

Beroep in cassatie

Tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam loopt al beroep in cassatie. In afwachting van een oordeel van de Hoge Raad hanteert de Belastingdienst het uitgangspunt dat de pensioenuitvoering één btw-vrijgestelde dienst is. Dit betekent dat pensioenfondsen geen btw hoeven te berekenen over de pensioenpremies. Voor bedrijven die geen recht hebben op aftrek van btw, treedt daarom op dit moment nog geen kostenverhoging op door de btw.

Gouden munten vallen onder overige bezittingen in box 3. Dit geldt ook als de gouden munten een wettig betaalmiddel vormen.

Euro

Contant geld?

Aan de Belastingdienst is gevraagd of gouden munten – die een wettig betaalmiddel vormen –, kunnen worden aangemerkt als contant geld. Contant geld wordt vanaf 2023 voor de box 3-heffing gezien als een banktegoed. Voor banktegoeden geldt een lager wettelijk vastgesteld rendement (in 2025 voorlopig vastgesteld op 1,44 %) dan voor overige bezittingen (in 2025 vastgesteld op 5,88 %). Om die reden is het voordeliger als de gouden munten worden aangemerkt als contant geld.

Of overige bezitting?

De Belastingdienst vindt echter dat gouden munten niet kunnen worden aangemerkt als contant geld. Het maakt daarbij niet uit of de gouden munten een wettig betaalmiddel vormen of niet. De reden hiervoor is onder meer dat de gouden munten over het algemeen niet gebruikt worden als wettig betaalmiddel, omdat de marktwaarde (veel) hoger ligt dan de nominale waarde. Met deze munten kan dan ook meer rendement behaald worden dan met contant geld.

De gouden munten zijn volgens de Belastingdienst daarom een overige bezitting. Voor 2026 bedraagt het wettelijk vastgestelde rendement voor overige bezittingen overigens 7,78%!

Tip! Is uw totale werkelijke rendement in box 3 lager dan het wettelijk vastgestelde rendement, dan kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling in box 3.