Er komt vanaf 2027 een nieuwe andere vorm van financiële steun voor het opwekken van energie via zon en wind. De bestaande subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) wordt per 2027 aangepast.

Windmolen

Europese wetgeving

De subsidieregeling SDE++ is als gevolg van Europese wetgeving niet meer mogelijk voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, zoals zonne-energie en windenergie op het land.

Nadeel SDE++

De SDE++ heeft als nadeel dat bedrijven een groot financieel voordeel behalen bij een hoge marktprijs voor stroom, terwijl de bedrijven bij een lage marktprijs subsidie ontvangen. Om de hierdoor ontstane overstimulering en oneerlijke concurrentie te voorkomen, wordt een nieuwe vorm van financiële steun ingevoerd die voor de hele EU hetzelfde is.

Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen

Het kabinet werkt aan een nieuwe wet, de ‘Wet toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen’. Via deze nieuwe wet kan de overheid contracten afsluiten met marktpartijen die via grote opwekinstallaties zonne- en windenergie gaan leveren.

Vaste prijs

In de nieuwe wet wordt dus geen subsidie meer verstrekt, maar worden contracten afgesloten tegen een vaste energieprijs. Dit kunnen ook contracten zijn met een boven- en ondergrens in energieprijs. Bij een marktprijs onder de afgesproken ondergrens betaalt de overheid het verschil bij, terwijl in de omgekeerde situatie het bedrijf het verschil aan de overheid betaalt.

Wellicht ook kernenergie

Het wetsvoorstel heeft betrekking op het opwekken van stroom via zonne- en windenergie. Het biedt wel de mogelijkheid dat ook kernenergie en andere technieken voor duurzame energieproductie en/of CO2-reductie voor de financiële steun in aanmerking komen, maar hiervoor bestaan nu nog geen concrete plannen.

Internetconsultatie

Via een internetconsultatie stelt de overheid geïnteresseerden in de gelegenheid te reageren op het wetsvoorstel. Reageren kan via tot en met 14 november 2025.

De negatieve inkomensgevolgen in 2025 voor bepaalde deeltijdwerkers worden vanaf 2026 gecompenseerd. Dit is het gevolg van een aanpassing van het Belastingplan 2026 op verzoek van de Tweede Kamer.

Grafiek

Motie

Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.

Aanpassing arbeidskorting

Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.

Financiering aanpassing

Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:

  • de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 gaan niet door,
  • het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt 0,05% minder verlaagd (de eerste schijf komt daarmee in 2026 uit op 35,75%),
  • de komende jaren wordt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035), en
  • het hoogste tarief in de inkomstenbelasting (49,5%) is verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 opgenomen.

Hoe moet het werkelijke rendement in box 3 van een personeelslening berekend worden als de rente op die lening onzakelijk laag is?

Schenken

Personeelslening

Als een werknemer geld leent van zijn werkgever, moet de werkgever in principe een zakelijke rente berekenen. Een zakelijke rente is een rente die op het moment van aangaan van de leningsovereenkomst marktconform is. Berekent de werkgever een lagere rente, dan heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.

Let op! De werkgever kan ervoor kiezen om een rentevoordeel van een werknemer aan te wijzen in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Indien en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing. Aanwijzen in de vrije ruimte mag niet als het rentevoordeel betrekking heeft op een lening voor een eigen woning waarvan de rente aftrekbaar is in de inkomstenbelasting.

Box 3

Als de personeelslening tot box 3 behoort, ontstaat de vraag hoe in dat geval het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst geeft aan dat de werknemer zowel de daadwerkelijk betaalde rente als het rentevoordeel als negatief rendement in aanmerking kan nemen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3.

Een eerder aangenomen beperking van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en doorschuifregeling voor aandelen (DSR ab) tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%, gaat niet door. Ook wijzigingen van de BOR inzake de familietoets bij aandelen en de verwateringsregeling treden niet in werking.

Handen schudden

Beperking tot gewone aandelen

Eind 2024 is een wetsvoorstel aangenomen waarin de BOR en de DSR ab beperkt wordt tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Door deze wijziging zouden alleen nog gewone aandelen kwalificeren. Winstbewijzen, opties op aandelen en zogenaamde trackingstocks zouden dan niet meer voor de BOR en DSR ab in aanmerking komen.

Deze wijziging zou in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. De staatssecretaris heeft echter onlangs laten weten dat het huidige kabinet niet van plan is   om die datum bekend te maken. Dit betekent dat de beperking tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5% niet in werking treedt.

Wijzigingen in familietoets en verwateringsregeling

Eind 2023 zijn wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Hierdoor zouden kleine aandeelbelangen ̶   ongeacht de grootte, dus ook aandelen in box 3 ̶   in aanmerking komen voor de BOR als een familiegroep een belang heeft van minimaal 25%. Ook zou de verwateringsregeling worden verruimd door de toegang tot de BOR en DSR ab te behouden ook als de aandelenbelangen verwateren over familieleden onder het huidig toegestane percentage van 0,5%.

Deze wijziging zou ook in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. Net als de beperking tot gewone aandelen, is het huidig kabinet ook hiervoor niet van plan om die datum bekend te maken. Ook de wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling treden daarom niet in werking.

Later alsnog?

De inwerkingtreding van deze wijzigingen in de toegang tot de BOR en DSR ab, de familietoets en de verwateringsregeling waren aan elkaar gekoppeld. Voor al deze wijzigingen geldt dat het huidige kabinet niet van plan is om hier uitvoering aan te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat een volgend kabinet hier nog een ander besluit overneemt.

Stel, je wint advies in over de ontwikkelingen van de bedrijfsopvolgingsregeling, de BOR, omdat je op basis van die informatie wel of geen bedrijfsaandelen schenkt. Zijn die advieskosten dan zakelijk en dus fiscaal aftrekbaar van de winst? En hoe zit het met de btw over deze advieskosten? Een casus.

Juridisch

Zakelijk karakter?

In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant, ging het om de vraag of de advieskosten die aan een bv in rekening waren gebracht over het wel of niet toepassen van BOR al dan niet zakelijk waren. De bv vond van wel en had de advieskosten ten laste van de winst gebracht en de hierop drukkende btw in aftrek gebracht op de af te dragen btw. De inspecteur was het hiermee niet eens, waarna de zaak voor de rechter kwam.

Continuïteit in gevaar?

In deze zaak had de grootaandeelhouder van een miljoenenbedrijf besloten om een deel van de aandelen aan zijn kinderen te schenken. Volgens hem zou het mogelijk verdwijnen van de BOR betekenen dat de verkrijgers van de aandelen de te betalen belasting zouden moeten voldoen door middel van winstuitkeringen uit de bv. Volgens de schenker zou dit de continuïteit van het bedrijf in gevaar brengen en was er dus sprake van een zakelijk belang om hierover advies in te winnen, wat hij dus ook had gedaan.

Bevrediging van persoonlijke behoefte

Volgens de rechtbank was er echter geen sprake van een zakelijk belang. De advieskosten waren gemaakt ter bevrediging van een persoonlijke behoefte, namelijk het beperken van het betalen van belasting door de verkrijgers van de aandelen. 

Vermogens- en winstpositie

Volgens de rechtbank was ook van belang dat via de aandelen het bedrijf slechts gedeeltelijk aan de kinderen werd overgedragen en dat de zeggenschap over de bv door middel van preferente aandelen bij de schenker bleef. Bovendien kwam, gelet op de vermogens- en winstpositie van de bv, de continuïteit niet in gevaar als de BOR niet langer van toepassing zou zijn geweest. 

Gelijkheidsbeginsel

De schenker voerde nog aan dat bij verkoop van het bedrijf aan een derde, de advieskosten wel aftrekbaar zouden zijn en deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank ging hier echter niet in mee en stelde dat er in die situatie geen sprake was van gelijke gevallen. 

De advieskosten konden dan ook niet ten laste van de winst worden gebracht. Evenmin was de btw aftrekbaar.