Als werkgever draagt u sociale premies af voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering WGA en Ziektewet (ZW). Deze premies staan ook bekend als de premies voor de Werkhervattingskas (Whk). Beide premies stijgen in 2026.

Agenda

Stijging

Het gemiddelde premiepercentage van de premiecomponent WGA stijgt van 0,83% in 2025 naar 0,96% in 2026. Het gemiddelde percentage van de premiecomponent ZW-flex stijgt van 0,50% in 2025 naar 0,56% in 2026. De stijging komt vooral door meer (jonge) langdurige zieken, als gevolg van onder meer longcovid en psychische aandoeningen. Hierdoor wordt er meer beroep gedaan op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Let op! De premiecomponent WGA geldt voor alle dienstbetrekkingen waarvoor premies werknemersverzekeringen moeten worden afgedragen. De premiecomponent ZW geldt alleen voor flexibele en tijdelijke dienstbetrekkingen.

Rekenhulp

Op de website van het UWV is een rekenhulp opgenomen waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2026 kunt berekenen.

Premieplichtig loon

De berekening van de gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van uw onderneming. Op basis van de loonsom in 2024 wordt bepaald in welke categorie u als werkgever in 2026 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtig loon. Dit bedraagt in 2025 nog € 39.600 en stijgt in 2026 naar € 43.300.

Kleine, middelgrote of grote werkgever

De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2026 bij een loonsom van maximaal € 1.082.500 (in 2025 € 990.000). Bij een loonsom van meer dan € 4.330.000 is in 2026 sprake van een grote werkgever (in 2025 € 3.960.000).

Let op! Het gaat in 2026 om de loonsom van twee jaar eerder, dus 2024. Bedroeg de loonsom in 2024 maximaal € 1.082.500, dan is sprake van een kleine werkgever.

Beschikking Belastingdienst

Grote en middelgrote werkgevers ontvangen eind 2025 een beschikking van de Belastingdienst over de hoogte van de premie. Deze hangt af van de instroom van werknemers in de ZW en WGA.

Let op! Voor kleine werkgevers is de premie afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn. Zij krijgen eind 2025 daarom geen beschikking, maar alleen een mededeling van de premie van de Belastingdienst.

Deadline eigenrisicodragers

Een eigenrisicodrager betaalt de premies niet. Bent u eigenrisicodrager, maar wilt u dat niet meer zijn vanaf 1 januari 2026? Zorg dan dat het daarvoor bestemde formulier voor de WGA en voor de Ziektewet vóór 1 oktober 2025 door de Belastingdienst ontvangen is. Bent u nog geen eigenrisicodrager, maar wilt u dat wel worden vanaf 1 januari 2026, dan moet u dat met dezelfde formulieren doorgeven, ook vóór 1 oktober 2025.

Als u een eigen woning bezit, wordt deze in beginsel belast in box 1. Heeft u een garage en kan deze als een zogenaamde aanhorigheid bij de woning worden aangemerkt, behoort deze eveneens tot box 1. Zo niet, dan wordt de garage tot het vermogen in box 3 gerekend. Wanneer is sprake van een aanhorigheid?

Bedrijfspand

Voorwaarden voor aanhorigheid

Volgens een arrest uit 1993 van de Hoge Raad dient een garage als een aanhorigheid aangemerkt te worden als deze hoort bij de woning, in gebruik is bij de woning en dienstbaar is aan de woning. Wanneer een garage bij een woning hoort, is door de Hoge Raad aangegeven in een arrest uit 1980.

Behorend bij de woning?

Of een garage bij een woning hoort, is volgens dit arrest afhankelijk van diverse factoren, zoals de afstand van de garage tot de woning, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid vanuit het woonhuis of de tuin van het woonhuis. Voor wat betreft de bouwkundige situatie kan met name een rol spelen of de garage met de woning in een bouwblok of in hetzelfde wooncomplex is gelegen.

Aanhorigheid of niet?

In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant ging het om de vraag of de twee garages die een belastingplichtige bezat, als aanhorigheid bij zijn woning konden worden aangemerkt en dus moesten worden belast in box 1. De beide garages lagen op 75 meter loopafstand van de woning en uit een luchtfoto bleek dat ze ook op een ander perceel dan de woning lagen.

Rechtbank: geen aanhorigheid

De rechtbank vond dat er op grond van bovengenoemde omstandigheden geen sprake was van een aanhorigheid. Bovendien kon de eigenaar van de woning en de garages niet aannemelijk maken dat de garages in gebruik waren bij de woning en hieraan dienstbaar waren. De rechtbank was dan ook van mening dat de garages terecht als vermogen in box 3 belast waren, zoals eerder was opgelegd door de inspecteur.

De Belastingdienst heeft duidelijkheid gegeven over hoe het werkelijke rendement van een minderjarig kind aan de ouder(s) moet worden toegerekend als dat kind in de loop van het kalenderjaar meerderjarig wordt.

Belastingdienst

Tegenbewijsregeling box 3

Vorig jaar oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijk vastgestelde rendement. De Hoge Raad gaf aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden. De tegenbewijsregeling box 3 is gebaseerd op de aanwijzingen van de Hoge Raad. Een belastingplichtige met een werkelijk rendement dat lager is dan het wettelijk vastgestelde rendement kan mogelijk een beroep doen op deze tegenbewijsregeling.

Let op! Om een beroep te doen op de tegenbewijsregeling, moet u verplicht gebruikmaken van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR).

Werkelijke rendement

Voor een beroep op de tegenbewijsregeling moet u dus uw werkelijke rendement berekenen. In dit verband is aan de Belastingdienst gevraagd op welke wijze het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarige kind aan de ouder(s) moet worden toegerekend,  als dat kind in de loop van het kalenderjaar meerderjarig wordt.

Toerekening box 3 kind aan ouder

Het wettelijk vastgestelde rendement is gebaseerd op de rendementsgrondslag aan het begin van een kalenderjaar. De rendementsgrondslag van een minderjarig kind wordt toegerekend aan de ouder(s) die het gezag uitoefent/uitoefenen. Dit betekent dat als een kind op 1 januari nog minderjarig is, zijn rendementsgrondslag wordt toegerekend aan de ouder(s). Het is daarbij niet relevant of dat kind al dan niet meerderjarig wordt in het kalenderjaar.

Toerekening werkelijke rendement kind aan ouder

Het meerderjarig worden van een kind in het kalenderjaar is echter wel relevant voor de berekening van het werkelijke rendement in het kader van de tegenbewijsregeling. Voor de toerekening van het werkelijke rendement is namelijk niet de peildatum van 1 januari van belang. Het gaat om het werkelijke rendement gedurende het hele kalenderjaar, inclusief rendement van bezittingen en schulden die op de peildatum van 1 januari nog niet in het bezit van het kind waren.

Wordt het kind in de loop van het kalenderjaar meerderjarig, dan wordt alleen het werkelijke rendement van het kind tot aan de verjaardag van het kind toegerekend aan de ouder(s).

Let op! Het werkelijke rendement vanaf de verjaardag van het kind tot en met 31 december wordt aan niemand toegerekend, ook niet aan het kind. Het kind was immers op peildatum (1 januari) nog minderjarig en zal daarom in dat jaar nog geen box 3-aanslag opgelegd krijgen. Dat dit zo werkt is door de Belastingdienst ook bevestigd.

Meer informatie

Heeft u vragen over de toerekening van het werkelijke rendement van uw kind of een andere vraag over de tegenbewijsregeling box 3, neem dan contact op met een van onze adviseurs.

Het is zomer en dat betekent hogere temperaturen. Uw personeel zal het dan ook zeker op prijs stellen als u hen een keer op een koud drankje of ijsje trakteert. Hoe zat het ook maar weer, wanneer kan dit fiscaalvrij?

Appels

Werkplek

Als u uw personeel op de werkplek trakteert, hoeft uw personeel hierover geen belasting te betalen. De werkplek is een ruim begrip, want alle ruimtes waarvoor u als werkgever volgens de Arbowet verantwoordelijk bent, vallen eronder. Een ijsje of colaatje in bijvoorbeeld uw kantine of op kantoor is dus onbelast.

Betaal zelf

Betaalt uw personeel de verfrissing zelf en vergoedt u de kosten, dan is de vrijstelling niet van toepassing. Zorg er dus voor dat u de factuur zelf betaalt om belastingheffing te voorkomen. 

Werkkostenregeling

U kunt er ook voor kiezen een fris extraatje onder te brengen in de werkkostenregeling, WKR. Bijvoorbeeld als u na het werk met uw personeel iets gaat drinken op een terrasje in de buurt. Houd er dan rekening mee dat u met al uw personeelsvoorzieningen in het jaar binnen de vrije ruimte blijft. Schiet u hier overheen, dan betaalt u als werkgever namelijk 80% belasting over het meerdere. Een ander aandachtspunt is de gebruikelijkheid. Geeft u meer dan € 2.400 aan een werknemer per jaar aan zaken of vergoedingen in de vrije ruimte? Dan zult u, voor het gedeelte boven de € 2.400 aannemelijk moeten maken dat deze zaken of vergoedingen gebruikelijk zijn. Lukt dat niet, dan mag u de WKR niet toepassen.

Voorbeeld
Uw loonsom is € 600.000. Uw vrije ruimte bedraagt dan € 400.000 x 2% + € 200.000 x 1,18%, ofwel € 8.000 + € 2.360 = € 10.360. U heeft dit bedrag dit jaar al besteed aan vergoedingen en verstrekkingen. Stel dat u met uw personeel buiten de deur iets gaat drinken voor in totaal € 450 en u brengt dit onder in de WKR. U betaalt dan € 450 x 80% = € 360 belasting via de eindheffing.

Aftrekbaar van de winst

De kosten van verfrissingen voor uw personeel zijn aftrekbaar van de winst als ze belast zijn en deels aftrekbaar als ze onbelast zijn. Deze kosten worden dan namelijk aangemerkt als ‘gemengde kosten’ en dus is vanwege het privévoordeel een deel niet aftrekbaar. Betaalt u over uw winst inkomstenbelasting, dan is 20% van de kosten niet aftrekbaar. Umag er ook voor kiezen om een vast bedrag van € 5.700 niet af te trekken. 

Een rekensom leert dat dit alleen voordelig is als uw totale gemengde kosten in 2025 meer dan € 28.500 bedragen. Betaalt u vennootschapsbelasting, dan is 26,5% van de kosten niet aftrekbaar. Ook nu mag u ervoor kiezen een vast bedrag aan kosten niet in aftrek te brengen. Dit bedrag is € 5.700 of 0,4% van uw loonsom als dit meer is.

De Belastingdienst is van mening dat bij de levering van een toiletlift 21% btw berekend moet worden. Het lage btw-tarief van 9% is hier dus niet van toepassing.

Invalide

9% btw-tarief

Het 9% btw-tarief is van toepassing op de levering van hulpmiddelen zoals opgenomen in Tabel 1, post a.34 van de Wet OB. In deze post zijn invalidewagentjes, invalidekrukken, sta-op stoelen en hoog-laag bedden opgenomen. Deze hulpmiddelen mogen dan ook geleverd worden tegen 9% btw.

Toiletlift

Een toiletlift helpt iemand met verminderde spiercapaciteit bij het gaan zitten en weer opstaan van een toilet. De Belastingdienst is van mening dat het 9% btw-tarief niet van toepassing is op de levering van een toiletlift, omdat deze niet is opgenomen in de hiervoor benoemde post a.34.

Toiletlift niet gelijk aan sta-op stoel

De Belastingdienst vindt een toiletlift ook niet vergelijkbaar met een sta-op stoel omdat een toiletlift niet de functie van een stoel heeft. Het maakt daarbij naar de mening van de Belastingdienst niet uit dat een toiletlift een vergelijkbaar sta-op mechanisme heeft als een sta-op stoel en ook een hulpmiddel is voor mensen die niet zelfstandig kunnen opstaan.
Een toiletlift is ook niet vergelijkbaar met een invalidewagentje, invalidekrukken of een hoog-laag bed, aldus de Belastingdienst.

Daarom is post a.34 niet van toepassing. Omdat een toiletlift ook niet vergelijkbaar is met enig ander product of hulpmiddel uit een ander post van Tabel I is het 9% btw-tarief niet van toepassing.