Een pand dat je in privé verhuurt, valt in principe in box 3. Verricht je dusdanige activiteiten/werkzaamheden dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer? Dan is je pand belast in box 1. Rechtbank Den Haag deed daar in juni 2026 een uitspraak over.

Sleutels

Box 3 of box 1: normaal of meer dan normaal vermogensbeheer

Een pand in privé-eigendom valt in principe in box 3. Voorwaarde is wel dat met betrekking tot het pand sprake is van normaal vermogensbeheer. Is sprake van meer dan normaal vermogensbeheer, dan valt het pand in box 1. Daar wordt het dan belast als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.

Geen harde grens

Rechtbank Den Haag gaf aan dat er geen harde grens is tussen box 3 en box 1. Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of de activiteiten/werkzaamheden dusdanig zijn dat de grens van normaal vermogensbeheer wordt overschreden. De rechtbank stelde dat deze beoordeling in principe per pand moet plaatsvinden. Voor de vraag of vervolgens sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zal daarna een beoordeling van alle activiteiten voor alle panden in box 1 moeten plaatsvinden.

Beoordeling per pand

In de casus die voorlag bij de rechtbank, oordeelde de rechtbank dat de Belastingdienst voor vier panden aannemelijk had gemaakt dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden voor deze panden bestonden uit veel meer dan bijvoorbeeld een verbouwen van een keuken of een badkamer. Deze werkzaamheden kwalificeerden volgens de rechtbank als projectontwikkeling die naar aard en omvang de grens van normaal vermogensbeheer overschreed. Het ging daarbij om:

  • een voormalig woonhuis met garage dat na aanvragen en verkrijgen van benodigde vergunningen was omgebouwd tot drie appartementen met bergingen,
  • een pand met bedrijfsruimte op de begane grond en een bovenwoning op de eerste en tweede verdieping dat na aanvragen en verkrijgen van benodigde vergunningen was omgebouwd tot twee woningen,
  • een kantoorgebouw dat na aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen was omgebouwd tot drie winkels/bedrijfsruimten en elf appartementen,
  • een winkel/woonhuis waarin overeenkomstig de daartoe verleende vergunningen onder meer constructieve doorbraken en een aanbouw waren gerealiseerd.

Deze panden vielen volgens de rechtbank in box 1, voor de andere panden gold dat niet. Die werden belast in box 3.

De rechtbank volgde het standpunt van de belanghebbende dat als de panden in box 1 vielen, er sprake was van winst uit onderneming en niet van resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank volgde dit standpunt omdat dit voor de belanghebbende gunstiger was in verband met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Let op! Zoals de rechtbank al aangaf, is er geen harde grens tussen box 3 en box 1 en is een en ander afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg over je eigen panden daarom met onze adviseurs.

Het kabinet wil de doelgroep banenafspraak uitbreiden. Het kabinet wil daarnaast de loonkostensubsidie leidend maken om de verminderde loonwaarde van een werknemer te compenseren.

Geld

Verbreding toegang arbeidsmarkt

Op 2 juli stuurden de ministers Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Aartsen van Werk en Participatie een Kamerbrief met de vooraankondiging van een wetswijziging. Het kabinet wil dat iedereen die daartoe in staat is mee gaat doen op de arbeidsmarkt. Om die reden wordt onder meer de doelgroep van de banenafspraak verbreed. Daarnaast gaat de loonkostensubsidie (LKS) het leidende, rijksbrede instrument worden om de verminderde loonwaarde van een werknemer te compenseren.

Verbreding doelgroep banenafspraak

Op 20 februari 2024 is het principebesluit genomen dat de doelgroep van de banenafspraak wordt uitgebreid met personen met een WIA- of een WW-uitkering die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen.  Dit betekent dat deze personen straks ook gebruik kunnen maken van de instrumenten van de banenafspraak: no-riskpolis, een loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak en straks ook de loonkostensubsidie (LKS). Er komt een wetsvoorstel waarin deze personen aan de doelgroep van de banenafspraak worden toegevoegd.

Loonkostensubsidie

Voor de WW en de WIA wordt de LKS beschikbaar gesteld. Dit geeft het UWV een instrument om de verminderde loonwaarde van werknemers te compenseren voor werkgevers. Bij de LKS gaat het om een financiële regeling voor werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking of afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen.

De LKS compenseert het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de lagere arbeidsproductiviteit (loonwaarde) van de werknemer. De werkgever betaalt op deze manier alleen voor de werkelijke productiviteit. Hiermee wordt hij gestimuleerd om iemand met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen en houden. 

Wajong

In de Wajong wordt de loondispensatie vervangen door de LKS. Loondispensatie houdt in dat aan een werkgever toestemming wordt verleend om een Wajong gerechtigde een loon uit te betalen dat lager ligt dat het wettelijk minimumloon. Dit maakt de regels voor werkgevers eenvoudiger en herkenbaarder. 

Let op! Er komt overgangsrecht dat inhoudt dat de LKS pas wordt ingezet als de beschikking loondispensatie afloopt. Het UWV verstrekt op dit moment maximaal vijf jaar loondispensatie. Hierdoor kan het overgangsrecht maximaal vijf jaar doorlopen.

Loonwaardemeting

Als de LKS wordt ingevoerd, wordt ook de loondispensatie in de Wajong vervangen door de LKS. De hoogte van de LKS wordt bepaald aan de hand van de loonwaarde van de werknemer. Daarvoor is nu nog een loonwaardemeting nodig.

Het is de bedoeling dat vanaf 2028 geen loonwaardemeting meer nodig is. De LKS wordt vanaf dat moment, ook voor de Wajong, standaard vastgesteld op 68% van het wettelijk minimumloon. Werkgevers krijgen daarmee een vaste LKS als zij iemand aannemen met een WW, WIA- of Wajong-uitkering die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon per uur kan verdienen.

Let op! Het betreft nog een voornemen dat nog in wetgeving moet worden omgezet.

Zet ik de auto op de zaak of houd ik hem liever privé? Wat is fiscaal de beste optie? Wat zijn voor mij de belangrijkste voor- en nadelen van zakelijk rijden en wat weegt dan het zwaarst? Vragen waar veel ondernemers mee worstelen. In deze advieswijzer zetten we een aantal regels voor je op een rij, zodat je voor jezelf de balans kunt opmaken. Hierbij hebben we ook alvast enkele wijzigingen vermeld die per 2027 van kracht worden.

Auto

Rekensom is niet eenvoudig

Het is niet eenvoudig om te beoordelen wat voordeliger is: een auto op de zaak of in privé rijden. De beoordeling is namelijk afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals de hoogte van de afschrijvingen, de onderhoudskosten, de verzekeringskosten, de motorrijtuigenbelasting, eventuele financieringskosten, de CO2-uitstoot van de auto, het aantal in een jaar te rijden privé- en zakelijke kilometers, de btw-gevolgen, de bijtelling en vanaf 2027 de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Als je deze gegevens helder voor ogen zou hebben, kun je berekenen wat het voordeligst is. Over het algemeen zijn deze gegevens echter niet volledig bekend en zal van schattingen moeten worden uitgegaan. De werkelijkheid kan dan afwijken van de berekeningen. Vervolgens moet je ook nog rekening houden met belastingtarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en andere fiscale regelingen, die regelmatig wijzigen.

Let op! Ben je ondernemer in de inkomstenbelasting, dan mag je bij de aanschaf doorgaans kiezen of je de auto tot je ondernemingsvermogen rekent of tot je privévermogen. Die keuze heb je echter niet als je maar maximaal 500 kilometer per jaar privé met de auto rijdt. Je moet de auto dan verplicht tot het ondernemingsvermogen rekenen. Rijd je minder dan 10% van het aantal kilometers zakelijk, dan moet je de auto verplicht tot het privévermogen rekenen.

Auto van de zaak

De auto van de zaak heeft een aantal voordelen:

  • Als je de auto tot het ondernemingsvermogen rekent, worden de aanschaf- en alle overige (auto)kosten betaald door je onderneming.
  • Je kunt de overige autokosten – denk aan bijvoorbeeld onderhoud, brandstof, verzekering, motorrijtuigenbelasting, maar ook financierings-, parkeer- en waskosten – aftrekken van de winst van je onderneming en bovendien jaarlijks de afschrijving op de auto ten laste van de winst brengen.
  • Voor auto’s zonder CO2-uitstoot op waterstof of zonnecellen heb je recht op milieu-investeringsaftrek (zie hierna). Dat geldt niet voor de eventuele laadpaal.
    Schaf je in 2026 een milieuvriendelijke auto aan en reken je deze tot het ondernemingsvermogen, dan kom je mogelijk in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek (MIA). De MIA geldt in 2026 alleen nog voor een waterstofpersonenauto en voor een personenauto op zonnecellen met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Er gelden verschillende aftrekpercentages en er zijn maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.
Soort auto MIA % Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag
 Waterstofpersonenauto 45% over 90% van investeringsbedrag  € 75.000
Zonnecel-personenauto 36% over 90% van investeringsbedrag  € 100.000

De auto van de zaak brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Bij verkoop van de auto realiseert jouw onderneming mogelijk een belaste winst. Het kan echter ook dat je een aftrekbaar verlies realiseert.
  • Als je de auto van de zaak ook privé gebruikt, krijg je in de meeste gevallen te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Vanaf 2027 moet de bv van een dga rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (daarover straks meer).
  • Jouw onderneming moet btw betalen over de waarde van het privégebruik auto. Kun je dit privégebruik niet bepalen, dan geldt in de regel dat de te betalen btw 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) bedraagt. Na het vierde jaar van aanschaf of ingeval bij de aanschaf geen recht op aftrek van btw bestond, is dit 1,5%.

Let op! Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan kan sowieso een deel van de btw niet in aftrek worden gebracht. Verricht je bijvoorbeeld voor 40% vrijgestelde prestaties, dan kan ook 40% van de btw niet in aftrek worden gebracht. Ook de niet-aftrekbare btw vanwege het privégebruik wordt dan naar rato verminderd. Bij 40% vrijgestelde prestaties is de correctie dan niet 2,7%, maar 60% (100% -/- 40%) x 2,7%. Je kunt immers ook maar 60% van alle btw aftrekken.

Bijtelling privégebruik auto

De fiscale spelregels voor de bijtelling privégebruik auto zijn afhankelijk van jouw ondernemingsvorm. Ben je directeur-grootaandeelhouder (dga) en opereer je vanuit een bv, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de loonbelasting. Vanaf 2027 moet de bv van een dga ook rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Ben je echter een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak, vof, cv of maatschap, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de inkomstenbelasting. Voor de laatste categorie kan de bijtelling nooit méér bedragen dan de werkelijke kosten van de auto in dat jaar (inclusief afschrijving). Een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak krijgt voor zichzelf niet te maken met de peudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (mogelijk wel voor zijn personeel).

Voor de meeste auto’s die vanaf 2017 op kenteken zijn gezet, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een lagere bijtelling. De lage bijtelling is beperkt tot een deel van de cataloguswaarde (met uitzondering van auto’s op waterstof en op zonnecellen). Over het meerdere geldt de normale bijtelling van 22%.

Voor een nieuwe auto gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

CO2-uitstoot Bijtelling
 0 (op batterij)  18% tot € 30.000, daarboven 22%
 0 (op waterstof of op zonnecellen)  18% onbeperkt
 Meer dan 0  22%

Je wordt in beginsel niet elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.

Let op! Voor een in 2027 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt in 2027 een bijtellingspercentage van 20% tot € 30.000 en 22% daarboven. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen is dat 20% over de gehele cataloguswaarde. Voor een in 2028 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt geen lagere bijtelling meer.

Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een elektrische auto betreft met een CO2-uitstoot van nul. Hiervoor wordt de bijtelling in 2026 21% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en 25% over het meerdere.

Een bijtelling kan achterwege blijven als je kunt bewijzen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto hebt gereden. Woon-werkkilometers worden voor de inkomstenbelasting gezien als zakelijk, ook als je thuis gaat lunchen. Voor de btw gelden die kilometers echter als privé.

Let op! Is jouw auto ouder dan 16 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling in 2026 geen 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde van de auto in het economisch verkeer. Eind 2025 is een wetswijziging aangenomen waarin de leeftijdsgrens per 2027 verhoogd wordt naar 25 jaar en ouder.. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad waarbij bijvoorbeeld de verhoging naar 25 jaar niet in een keer maar geleidelijk gebeurd of alleen voor auto’s die in 2026 jonger dan 16 jaar zijn.

Let op! Het kabinet denkt na over een regeling om gebruikte, elektrische auto’s aantrekkelijker te maken voor zakelijke rijders. Gedacht wordt aan een vermindering van de bijtelling voor elektrische auto van vijf tot acht jaar oud. In de augustusbesluitvorming 2026 beslist het kabinet over de invoering van deze greentimerregeling.

Pseudo-eindheffing per 2027

Er wordt per 2027 een pseudo-eindheffing ingevoerd voor werkgevers die hun personeel een personenauto ter beschikking stellen die CO2 uitstoot. Ook voor een dga die in dienst is bij zijn eigen bv en over een personenauto van de zaak beschikt die CO2 uitstoot, is de pseudo-eindheffing van toepassing. De pseudo-eindheffing geldt echter niet voor een ondernemer in de inkomstenbelasting die over een personenauto van de zaak beschikt, maar wel voor de personenauto’s die hij aan zijn werknemers ter beschikking stelt. De pseudo-eindheffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde per jaar en komt voor rekening van de werkgever.

Wanneer geen pseudo-eindheffing?

De pseudo-eindheffing geldt niet:

  • Voor de personenauto die niet privé mag worden gebruikt. Voor deze regeling wordt woon-werkverkeer echter als privé aangemerkt.
  • Tot 17 september 2030 voor personenauto’s die de werkgever vóór 1 januari 2027 al ter beschikking stelt. Vanaf die datum geldt de pseudo-eindheffing wel voor alle ter beschikking gestelde personenauto’s die CO2 uitstoten. Het kabinet heeft aangekondigd de termijn te willen verlengen van 17 september 2030 naar 1 januari 2031.
  • Voor personenauto’s die geen CO2 uitstoten, zoals een elektrische personenauto.
  • Voor auto’s die geen personenauto zijn, zoals een bestelbus.

Het kabinet heeft aangekondigd ook nog uitzonderingen te willen invoeren:

  • voor de vervangende personenauto’s die maximaal veertien kalenderdagen (aaneengesloten) ter beschikking worden gesteld ter vervangging van de vaste auto bij bijvoorbeeld schade of reparatie,
  • tot 1 januari 2031 voor fossiele de ter beschikking stelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten kalenderjaar, en
  • voor lesauto’s.

Privéauto

De auto die je in privé aanschaft, heeft een aantal voordelen:

  • De auto blijft jouw privé-eigendom.
  • Bij verkoop van de auto realiseer je in privé mogelijk een onbelaste winst. Het is echter ook mogelijk dat je een niet-aftrekbaar verlies lijdt. 
  • Je krijgt niet te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Je bv krijgt vanaf 2027 niet te maken met de pseudo-eindheffing voor personenauto’s die CO2 uitstoten.
  • Jouw onderneming hoeft ook geen btw te betalen over de waarde van het privégebruik van de auto. De ondernemer in de inkomstenbelasting kan de auto voor de omzetbelasting overigens tot het ondernemingsvermogen rekenen, ook als de auto voor de winstberekening tot het privévermogen is gerekend. Andersom kan dit ook. De keuze voor de omzetbelasting staat dus los van de keuze voor de inkomstenbelasting. Bij keuze voor ondernemingsvermogen geldt de btw over het privégebruik wel.
  • Je kunt van je bv een belastingvrije onkostenvergoeding ontvangen van € 0,25 per zakelijke kilometer, (tot 1 januari 2026 was dit € 0,23 perkm) (of ten laste van jouw winst brengen als je ondernemer in de inkomstenbelasting bent).
  • Ben je dga, dan kun je mogelijk ten laste van jouw vrije ruimte nog een hogere onkostenvergoeding belastingvrij ontvangen. Deze mogelijkheid is afhankelijk van de hoogte van jouw vrije ruimte en uw andere vergoedingen en verstrekkingen die zijn toegewezen aan de vrije ruimte.
  • Je kunt een deel van de btw op gebruik en onderhoud van de auto in aftrek brengen. Dit kan alleen als jouw onderneming btw-belaste prestaties verricht. Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan zal geen aftrek van btw mogelijk zijn voor de verhouding vrijgestelde prestaties-totale prestaties.

De auto in privé brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Je moet zelf in privé de aanschafkosten en alle overige autokosten betalen.
  • Je kunt de gemaakte autokosten niet aftrekken van de winst van jouw onderneming (met uitzondering van de onkostenvergoeding van €0,25/km die jouw onderneming ten laste van de winst mag brengen voor jouw zakelijke kilometers) en je kunt ook de afschrijving op de auto niet ten laste van de winst van jouw onderneming brengen.
  • De btw die je betaalt bij aanschaf van de auto kun je niet in aftrek brengen, tenzij je de auto voor de btw als zakelijk aanmerkt. Je kunt hiervoor kiezen, ook als je de auto voor de inkomstenbelasting als privé aanmerkt.

Let op! Als jouw onderneming nagenoeg alle kosten van jouw privéauto aan je vergoedt, kan jouw privéauto door de Belastingdienst alsnog als auto van de zaak worden aangemerkt.

De keuze: zakelijk of privé?

Het antwoord op de vraag wat voordeliger is, de auto zakelijk of privé, is afhankelijk van allerlei, vaak niet precies bekende omstandigheden en factoren. Dit maakt het lastig om exact te berekenen wat voordeliger is. Toch is er wel een aantal grove vuistregels te geven. Zo is bij lage afschrijvingskosten of bij veel zakelijke kilometers een privéauto over het algemeen voordeliger. Maak echter geen ondoordachte keuze. Wij kunnen aan de hand van alle gegevens een berekening voor jou maken.

Overbrengen naar privé: ondernemer in de inkomstenbelasting?

Staat een auto eenmaal op de zaak, dan kun je als ondernemer in de inkomstenbelasting deze in beginsel niet overbrengen naar privé. Overbrengen naar privé kan alleenals er fiscaal sprake is van een zogenaamde bijzondere omstandigheid. Daarvan is niet vaak sprake. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld een wetswijziging of rechterlijke uitspraak waardoor je een andere keuze gemaakt zou hebben als je dit zou hebben geweten voordat je besliste de auto op de zaak te zetten. Of als je de auto helemaal niet meer zakelijk zou gebruiken (bijvoorbeeld omdat je een nieuwe auto koopt). Dan ben je zelfs verplicht de auto voortaan tot het privévermogen te rekenen. Deze overgang moet plaatsvinden voor de werkelijke waarde, waardoor je – afhankelijk van de fiscale boekwaarde – een boekwinst of -verlies realiseert. Ook voor de btw kan dit gevolgen hebben.

Overbrengen naar privé: ondernemers met een bv

Een auto op naam van uw bv is in beginsel altijd zakelijk. Bij een bv is overbrengen naar privé wel mogelijk, zelfs als er geen bijzondere omstandigheden zijn. Je kunt namelijk de auto altijd van jouw bv aan jezelf als dga verkopen. Vervolgens kun je zakelijke ritten voor de bv maken tegen een vergoeding van € 0,25 per kilometer. 

Let op! Er is onduidelijkheid over de vraag over welk bedrag btw verschuldigd is als een dga de auto overneemt van de bv tegen een lagere prijs dan de marktwaarde. Moet de btw dan berekend worden over deze lagere prijs of over de werkelijke waarde? Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseerde eind 2025 de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde. In een soortgelijke situatie kun je de btw over de marktwaarde van de auto afdragen en bezwaar maken tegen jouw eigen aangifte. Op die manier stel je jouw rechten zeker als de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt welke visie de juiste is. Bovendien voorkom je op deze manier een boete.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

De expatregeling (voorheen: 30%-regeling) voor buitenlandse werknemers kan in bepaalde situaties ook worden toegepast bij een lager startsalaris, mits naar verwachting de looneis op jaarbasis wordt gehaald. Dit moet worden getoetst bij het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst. Dit vindt rechtbank Noord-Holland.

Administratie

Expatregeling 

De expatregeling komt er in het kort op neer dat werkgevers een buitenlandse werknemer met een specifieke deskundigheid een percentage van het salaris netto mogen uitbetalen als kostenvergoeding. Het gebruik van de regeling is optioneel. Men mag er dus ook voor kiezen de extra kosten van de werknemer belastingvrij te vergoeden, als dit mogelijk is op basis van de bestaande regelgeving. Je moet deze extra kosten dan wel aannemelijk kunnen maken.

Regeling kent voorwaarden

De expatregeling kent een aantal voorwaarden. Een belangrijke is de deskundigheidseis. In de wettelijke bepalingen is opgenomen dat aan die deskundigheidseis wordt voldaan als de werknemer tenminste een bepaald salaris verdient (de looneis). Voor 2026 is dit €48.013, in bepaalde gevallen is dit € 36.497. In bovengenoemde rechtszaak ging het erom of een helikopterpilote aan de gestelde looneis voldeed.

Wijziging salaris

Bij indiensttreding moest de pilote eerst een opleiding volgen en met succes afronden. Tijdens de opleiding verdiende ze een lager salaris, dat na voltooiing van de opleiding wijzigde in een hoger salaris. Op basis van het lagere salaris voldeed de pilote niet aan de looneis De centrale vraag was of voor de expatregeling ook al van het hogere afgesproken salaris mocht worden uitgegaan.

Zo goed als zeker

Rechtbank Noord-Holland vond dat dit inderdaad is toegestaan. Het hogere loon was immers al afgesproken bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst. Verder bleek uit de feiten onder meer dat de slagingskans voor de pilote vrijwel 100% bedroeg, onder andere als gevolg van haar ervaring. Volgens de rechtbank was dit zo goed als zeker en was daardoor te verwachten dat ze aan de looneis zou voldoen. De rechtbank stond het gebruik van de expatregeling dan ook toe.

Let op!De rechtbank gaf in de uitspraak ook aan dat een en ander getoetst moet worden bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Als dan niet voldaan wordt aan de looneis, kan een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat alsnog met terugwerkende kracht of vanaf dat moment, voldaan wordt aan de looneis.

Begrip ‘stage’

Voor de expatregeling is ook van belang wat onder een stage moet worden verstaan. De werknemer die van de regeling gebruik wil maken moeten namelijk uit een ander land aangeworven zijn. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst mag de werknemer nog niet in Nederland werkzaam zijn. Werkzaamheden in het kader van een stage in Nederland worden daarbij niet aangemerkt als werkzaamheden in Nederland. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat het begrip stage ruim moet worden opgevat. 

In kader van opleiding?

In deze zaak stelde de Belastingdienst dat de gevolgde stage niet aan de eisen voor een stage voldeed, omdat deze niet was gevolgd in het kader van een opleiding. De rechtbank was van mening dat om van een stage te kunnen spreken niet vereist is dat dit in het kader van een opleiding is. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet vereist dat sprake is van een opleiding aan een erkende onderwijsinstelling. De gevolgde stage stond in dit geval dan ook niet aan toepassing van de expatregeling in de weg.

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap op stelselniveau niet in strijd is met Europees recht.

EU

Wet excessief lenen

De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, ook wel de dga-taks genoemd, regelt grofweg dat de dga die te veel heeft geleend bij de eigen bv, hierover belasting betaalt in box 2. In 2026 geldt er een drempel van € 500.000 en bedraagt het tarief 24,5% over de eerste € 68.843 inkomen in box 2 (bij fiscale partners het dubbele) en 31% daarboven.

Let op! Voor toepassing van deze drempel van € 500.000 kan meer meetellen dan alleen een lening aan de dga. Verder zijn ook uitzonderingen op de regel mogelijk. Laat je goed informeren over de toepassing van de wet.

Geen strijd Europees recht op stelselniveau

Een belastingplichtige die in 2023 een te grote schuld had aan zijn eigen bv, werd geconfronteerd met de heffing in box 2 over het bedrag van de schuld op 31 december 2023 boven de drempel. De belastingplichtige vond deze heffing in box 2 op stelselniveau in strijd met Europees recht (artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en artikel 6 en 7 van het EVRM). De Belastingdienst vond dat er geen strijd was en zo kwam deze zaak voor rechtbank Den Haag.

De rechtbank vond ook dat de heffing op stelselniveau niet in strijd was met Europees recht. De rechtbank onderbouwde dit met onder meer de volgende argumenten. De wet kent volgens de rechtbank een legitiem doel in het algemeen belang, namelijk het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. De wetgever heeft ook voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van de wet omdat de heffing in september 2018 al is aangekondigd en uiteindelijk pas vanaf 31 december 2023 effectief was, aldus de rechtbank.

Let op! Mogelijk volgt nog een hoger beroep of legt een andere belastingplichtige dezelfde vraag nog voor aan een andere rechtbank of gerechtshof. Hoewel nooit met zekerheid de kans van slagen voorspeld kan worden, is de kans dat een rechter gaat oordelen dat sprake is van strijd met Europees recht waarschijnlijk klein.