Mogelijk wordt de tariefkorting in de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor emissievrije auto’s verhoogd. Hierdoor betalen eigenaren van elektrische auto’s in de periode 2026-2028 minder mrb dan eerder was aangekondigd in het Belastingplan 2025.
Tariefkorting mrb 2025
Eigenaren van elektrische auto’s en andere auto’s zonder CO2-uitstoot krijgen in 2025 een tariefkorting van 75% op de mrb. In plaats van 100% betalen zij dus 25%.
Tariefkorting mrb 2026-2029
In het eind vorig jaar aangenomen Belastingplan 2025 was voor de jaren 2026 tot en met 2028 een tariefkorting afgesproken van 25%. In plaats van 100% betalen eigenaren van emissievrije auto’s in de jaren 2026 tot en met 2028 dan 75%.
Het kabinet had bij de behandeling van het Belastingplan 2025 toegezegd om de hoogte van de tariefkorting in het voorjaar van 2025 opnieuw te wegen. Dit heeft er toe geleid dat de plannen zijn bijgesteld en de tariefkorting voor de jaren 2026 tot en met 2028 wordt verhoogd naar 30%. In plaats van 75% betalen eigenaren van emissievrije auto’s in de jaren 2026 tot en met 2028 dan 70%.
Let op! De verhoging naar 30% geldt niet voor 2029. Voor dat jaar blijft de tariefkorting gehandhaafd op 25%. Vanaf het jaar 2030 geldt geen tariefkorting meer.
Belastingplan 2026
De aanpassing is nog niet definitief. Deze wordt opgenomen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.
Let op! Het kabinet gaat de komende tijd met stakeholders en medeoverheden in gesprek over onder meer een structurele oplossing voor de gewichtscorrectie in de mrb van elektrische auto’s. Denkrichting hierbij is onder meer om de grondslag van de mrb te wijzigen van gewicht naar voertuigoppervlak. De Tweede Kamer wordt voor het zomerreces over de contouren nader geïnformeerd.
Voor de fiets die een werkgever ook voor privégebruik ter beschikking stelt aan een werknemer geldt een bijtelling van 7%. Het kabinet is van plan om te verduidelijken en te versoepelen wanneer geen bijtelling hoeft worden toegepast.
Fiets van de zaak
Stelt u een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer voor woon-werkverkeer mag gebruiken, dan wordt deze fiets geacht ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt dan een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.
Over deze bijtelling moet u loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Let op! U kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Overschrijdt u in een jaar met alle aanwijzingen de vrije ruimte, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing hierover.
Geen bijtelling voor deel- en hubfietsen
Het kabinet is van plan om de bijtellingsregeling voor fietsen van de zaak te verduidelijken/versoepelen. Het is de bedoeling dat er voor fietsen die over het algemeen niet thuis worden gestald, geen bijtelling meer geldt. Dit moet ervoor zorgen dat bijvoorbeeld deel- en hubfietsen die voor zakelijke doeleinden worden gebruikt, ook buiten de bijtelling vallen.
Belastingplan 2026
Bovenstaande is nog niet definitief. Het plan is om een en ander op te nemen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.
De huidige versoepeling van de RVU-regeling, de regeling vervroegde uittreding, stopt eind 2025. In oktober 2024 was al een akkoord gesloten voor een verlenging van de versoepeling van de regeling voor mensen met zwaar werk. In de Voorjaarsnota 2025 is nu ook een verlenging van de versoepeling en een verhoging van de drempelvrijstelling opgenomen.
Pseudo-eindheffing RVU
Als een werkgever een uitkering doet zodat een oudere werknemer eerder kan stoppen met werken, is de werkgever hierover een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52%. Van een dergelijke regeling voor vervroegde uittreding is sprake, als de regeling het effect heeft dat een periode wordt overbrugt tot een pensioenregeling of AOW start. Ook uitkeringen die een pensioenregeling aanvullen, worden als zodanig aangemerkt.
Let op! In handreikingen en in de jurisprudentie zijn verduidelijkingen gegeven over de vraag of sprake is van een RVU of niet. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.
Tijdelijke versoepeling pseudo-eindheffing RVU
Vanaf 1 januari 2021 geldt een tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU. Hierdoor kunnen werkgevers maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd van een werknemer een bedrag meegeven aan de werknemer, zonder dat hierover de pseudo-eindheffing verschuldigd is. Dit bedrag is gelijk aan de drempelvrijstelling die jaarlijks opnieuw vastgesteld wordt. Is de RVU-uitkering hoger dan de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere wel 52% pseudo-eindheffing verschuldigd.
Jaar
Drempelvrijstelling bruto per maand
2021
€ 1.847
2022
€ 1.847
2023
€ 2.037
2024
€ 2.182
2025
€ 2.273
Let op! De tijdelijke versoepeling eindigt eind 2025. Er geldt wel overgangsrecht waardoor er voor een uiterlijk op 31 december 2025 overeengekomen RVU, in de jaren 2026 tot en met 2028 nog gebruik kan worden gemaakt van de drempelvrijstelling.
Verlenging versoepeling en verhoging drempelvrijstelling
In de Voorjaarsnota 2025 is opgenomen dat de versoepeling van de pseudo-eindheffing RVU met drie jaar wordt verlengd tot en met 2028. Er is ook budget opgenomen voor verhoging van de drempelvrijstelling. Daarnaast is er budget gereserveerd voor een mogelijke verlenging van de versoepeling vanaf 2029.
Verhogen pseudo-eindheffing tot maximaal 65%
Ter dekking van de verlenging van de versoepeling en verhoging van de drempelvrijstelling is in de Voorjaarsnota 2025 opgenomen dat de pseudo-eindheffing vanaf 2026 in stappen wordt verhoogd tot deze in 2028 65% bedraagt. Ook voor 2029 en 2030 lijkt de heffing op 65% te blijven.
Belastingplan 2026
De verlenging en verhoging zijn nog niet definitief. Het plan is om de verlenging en verhogingen op te nemen in het Belastingplanpakket 2026 dat op Prinsjesdag 2025 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Daarna moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen.
Het kabinet wil uitzendbureaus en andere partijen die werknemers uitlenen aan derden en daarbij wetten en regels ontduiken of omzeilen flink aanpakken. In veel gevallen betalen deze partijen arbeidsmigranten te weinig of laten ze werken onder slechte omstandigheden. De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) – inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer – moet dit voorkomen.
Nieuw toelatingsstelsel
Er komt voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) een toelatingsstelsel. Een speciale Toelatende Instantie bepaalt wie toegelaten wordt. Uitleners mogen per 1 januari 2027 alleen arbeidskrachten ter beschikking stellen als zij daartoe zijn toegelaten. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit alleen doen via toegelaten uitleners.
Overgangsrecht
Tot 1 januari 2027 zal er een overgangsrecht gaan gelden. Als bedrijven onder het overgangsrecht vallen, mogen ze personeel blijven uitlenen zolang het ministerie de aanvraag voor een vergunning nog niet heeft beoordeeld.
Uitleners die gebruik willen maken van het overgangsrecht moeten zich tussen 1 november 2026 en 1 januari 2027 melden bij het ministerie van SZW. Deze deadline geldt voor uitleners met én zonder certificaat van de Stichting Normering Arbeid (SNA).
Daarnaast geldt als voorwaarde voor het overgangsrecht dat uitleners binnen de eerste zes maanden na inwerkingtreding een toelatingsaanvraag doen. Dit zal moeten vóór 1 juli 2027.
Let op! Uitleners die na 1 juli 2027 de toelatingsaanvraag indienen, kunnen geen beroep meer doen op het overgangsrecht.
Voorwaarden toelating
Er zal een speciale Toelatende Instantie worden ingericht die de aanvragen gaat beoordelen. Om toegelaten te worden tot het nieuwe stelsel moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt een waarborgsom van € 50.000) en moeten zij kunnen aantonen dat ze voldoen aan relevante wetgeving.
En verder
Periodiek zal worden gecontroleerd of de uitleners nog aan alle eisen voldoen. Daarnaast wordt de bestaande registratieplicht in de Basisregistratie Personen (BRP) juridisch verankerd en komt er een wettelijke zorgplicht voor aanbieders.
Inspectie
De Nederlandse Arbeidsinspectie zal vanaf 2028 gaan handhaven, wat betekent dat in- en uitleners die zich niet aan de wet houden worden beboet.
Het kabinet gaat ongelijke verdelingen van een huwelijksgemeenschap en ongelijke verdelingen bij een verrekenbeding fiscaal aanpakken. Een wetswijziging hiertoe ligt nu ter consultatie.
Aanleiding
Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijksvoorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van één van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het kabinet wil dit aanpakken en kiest er daarom voor om de wet te wijzigen.
Internetconsultatie
De voorgenomen wetswijziging wordt opgenomen in het Belastingplan 2026 dat op Prinsjesdag 2025 zal worden gepresenteerd. Over deze wetswijziging is nu een internetconsultatie gestart. Deze consultatie loopt nog tot 14 mei 2025.
Constructie
De constructie komt erop neer dat partners in het zicht van overlijden, bijvoorbeeld bij een ongeneeslijke ziekte, in hun huwelijkse voorwaarden de gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap aanpassen ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft. Ook het wijzigen van een verrekenbeding ten gunste van de partner die hoogstwaarschijnlijk het langst leeft, heeft hetzelfde effect. De achterblijvende partner erft minder en er hoeft minder erfbelasting te worden betaald dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).
Voorstel wetswijziging
Het kabinet wil genoemde constructie bestrijden. Het voorstel van het kabinet gaat echter veel verder dan het bestrijden van de aanpassingen van de huwelijksvoorwaarden inzake de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekenbedingen in het zicht van overlijden van één van de partners. Het kabinet stelt namelijk voor om schenk- of erfbelasting te heffen bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap of bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.
Wat betekent de wetswijziging?
Als het voorstel ongewijzigd in de wet wordt opgenomen, betekent dit het volgende:
Als bij een overlijden een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
Als een partner bij een echtscheiding door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.
Terugwerkende kracht 18 april 2025
Hoewel het voorstel nog in een wetsvoorstel moet worden opgenomen en door de Tweede en Eerste Kamer moet worden goedgekeurd, wordt in het voorstel al wel rekening gehouden met onmiddellijke inwerkingtreding vanaf 18 april 2025, de datum waarop in de Voorjaarsnota 2025 de maatregel bekend werd.
Uitzonderingen
Alleen de volgende huwelijkse voorwaarden worden niet getroffen door de voorgestelde wetswijziging:
huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 18 april 2025, en
huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 18 april 2025.
Let op! Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 18 april 2025 zijn aangegaan of gewijzigd, worden wel volledig door de maatregel getroffen. Dit is ook het geval als de huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 op andere onderdelen dan de ongelijke verdeling worden aangepast. Door elke aanpassing van huwelijkse voorwaarden vanaf 18 april 2025 wordt dus de uitzonderingspositie opgeheven!