Op Prinsjesdag heeft het kabinet diverse plannen gepresenteerd. In deze bijdrage wordt kort stil gestaan bij een aantal voornemens van het kabinet op het terrein van arbeid en inkomen.

Prinsjesdag

Uitstel bekorting WW- duur

Het kabinet wil de maximale duur van de WW-uitkering en van de daaraan gekoppelde duur van de WGA-loongerelateerde uitkering terugbrengen van nu maximaal 24 maanden naar straks maximaal 12 maanden. Het aanvankelijke plan was om dit per 1 januari 2028 in te voeren, maar dit staat nu gepland per 1 januari 2029. Ook zal de zogenaamde wekeneis om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering dan worden aangescherpt.

Verlaging maximumdagloon met 20% gaat niet door

Er waren plannen om het maximumdagloon te verlagen met 20%. Zo’n verlaging werkt door in de WIA, WAO, ZW, WW en de verlofregelingen op grond van de Wet arbeid en zorg. Uit de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) volgt dat de verlaging niet door gaat. Het maximumpremieloon zal daardoor in 2029 ook niet dalen.

Uitstel afschaffing tegemoetkoming arbeidsongeschikten van 2028 naar 2029

De tegemoetkoming voor extra ziektekosten voor werknemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (€ 226,28 netto in 2026) zou aanvankelijk al in 2026 afgeschaft worden, maar dit is steeds uitgesteld. De afschaffing is nu verder uitgesteld naar 2029.

Nieuwe banenafspraak en verbreding doelgroep

De doelgroep van de nieuw banenafspraak wordt verbreed met mensen uit de WW en WIA die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Daarnaast komt het instrument loonkostensubsidie onder meer beschikbaar in de WIA, WW en Wajong. In de Wajong zal de loonkostensubsidie dan mogelijk de loondispensatie gaan vervangen. Het wetsvoorstel Verdere verbreding doelgroep banenafspraak gaat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer.

Nieuwe regeling leven lang ontwikkelen

Vanaf 2028 wordt bezuinigd op de re-integratiemiddelen binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Er komt wel een verhoging van het budget voor een leven lang ontwikkelen. Vanaf 2028 komt hiervoor structureel € 100 miljoen per jaar beschikbaar. De regeling beoogt scholing toegankelijker te maken voor mensen die aan het werk willen, willen doorgroeien of willen overstappen naar ander werk.

Vereenvoudiging verlofstelsel vanaf 2028

Het kabinet streeft ernaar een nieuwe Verlofwet in te voeren als opvolger van de huidige Wet arbeid en zorg. Het betreft een administratieve vereenvoudiging. Dit betekent dat voorwaarden en kenmerken van de diverse verlofvormen zo veel mogelijk gelijk worden getrokken. Bestaande rechten, zoals de verlofduur en betalingshoogte, blijven zoveel mogelijk gelijk.

Verhoging minimumjeugdloon vanaf 2027

Het wettelijk minimumjeugdloon gaat per 1 januari 2027 omhoog voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar. Voor 15-jarigen daarentegen blijft het minimumjeugdloon volgens de regeling gelijk. Het kabinet wil zo de financiële positie van werkende jongeren verbeteren.

Je kunt je personeel vaste kostenvergoedingen geven. Het liefst doe je dit onbelast of fiscaal zo aantrekkelijk als mogelijk. Wat zijn de aandachtspunten hierbij?

Sparen

Onbelast

Geef je een vaste kostenvergoeding voor zaken waarvoor een gerichte vrijstelling geldt? Dan kan dat, onder voorwaarden, onbelast en gaat dit niet ten laste van je vrije ruimte in de werkkostenregeling (wkr). Datzelfde geldt voor een vaste kostenvergoeding voor intermediaire kosten.

Denk bij een gerichte vrijstelling bijvoorbeeld aan een vergoeding voor woon-werkverkeer met de eigen auto tegen € 0,25 per kilometer en een vergoeding voor thuiswerken tegen € 2,45 per thuisgewerkte dag. Intermediaire kosten zijn bijvoorbeeld de kosten van het wassen van de auto van de zaak.

Voorwaarden

De vaste kostenvergoeding voor gerichte vrijstellingen en voor intermediaire kosten zijn alleen onbelast als je voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Je moet het bedrag van de gerichte vrijstelling en de intermediaire kosten aannemelijk maken.
  • Verder moet je deze vrijstellingen en intermediaire kosten omschrijven en de bedragen nader specificeren, zodat duidelijk is dat sprake is van zakelijke gericht vrijgestelde en/of intermediaire kosten.
  • Je moet de vaste kostenvergoeding ook onderbouwen met een onderzoek vooraf naar de werkelijk door de werknemers gemaakte kosten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kosten onderweg en representatiekosten. Voor een vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer zal uiteraard geen onderzoek nodig zijn, omdat de woon-werkverkeer afstand vaststaat.
  • Je wijst de kostenvergoeding voor de gerichte vrijstellingen aan als eindheffingsloon in de WKR.

Let op! Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet je herhalen als de omstandigheden wijzigen of als de Belastingdienst daar een verzoek toe doet. In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst eigenlijk wil dat het onderzoek elke vijf jaar opnieuw gedaan wordt.

Geen terugwerkende kracht

Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet echt vooraf gebeuren. Je kunt niet na afronding van het onderzoek een vaste kostenvergoeding onbelast met terugwerkende kracht geven.

Ten laste van de vrije ruimte

Je kunt ook een vaste kostenvergoeding geven die (deels) niet betrekking heeft op een gerichte vrijstelling of intermediaire kosten. Dit is in principe belast loon voor je werknemer. Als dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, kun je dit ook aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de WKR.

Let op! Dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets als deze niet voor meer dan 30% afwijkt van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt. De Belastingdienst hanteert daarbij een doelmatigheidsmarge: aanwijzingen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk.

Vaste kostenvergoedingen uit cao’s

De Belastingdienst heeft veel cao’s beoordeeld op de gevolgen voor de loonheffingen. Geef jij je werknemers een vaste kostenvergoeding volgens een cao? Kijk dan hier of de Belastingdienst deze beoordeeld heeft en zo ja, wat het oordeel is.

Het plan was om per 1 januari 2027 alle compensatieregelingen voor transitievergoedingen af te schaffen. Dit is uitgesteld tot 1 januari 2028.

Juridisch

Aanvankelijk plan 

Het plan was aanvankelijk om de compensatieregeling transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers per 1 juli 2026 alleen nog open te laten staan voor zogeheten kleine werkgevers. Dit zijn werkgevers met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Voor 2026 zou het dan gaan om werkgevers die in 2024 een sv-loonsom hadden van maximaal € 1.082.500.

Later plan: uitstel afschaffing en verbreding doelgroep

Het kabinet liet later echter weten dat de voorgenomen afschaffing van de compensatieregeling niet per 1 juli 2026, maar per 1 januari 2027 zou plaatsvinden. De afschaffing zou dan niet alleen betrekking hebben op de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid, maar ook bij bedrijfsbeëindiging door overlijden of pensionering. Bovendien zou dit dan gelden voor alle werkgevers, dus ook voor kleine werkgevers.

Laatste plan: nieuw uitstel afschaffing

Het kabinet heeft aangekondigd de afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding weer met een jaar uit te stellen. De nieuwe datum is nu 1 januari 2028. Voorlopig kunnen alle werkgevers (ongeacht bedrijfsgrootte) dus nog gebruik blijven maken van de compensatieregelingen.

Recht op transitievergoeding blijft

Het recht van een werknemer op de transitievergoeding blijft bestaan. Werknemers die worden ontslagen na het verstrijken van het opzegverbod bij ziekte houden dus recht op de transitievergoeding, ook als de compensatieregeling straks verdwijnt.

Dit geldt ook voor werknemers die hun baan verliezen omdat een werkgever stopt met het bedrijf vanwege pensionering of overlijden. Bij afschaffing van de compensatieregeling per 2028 moeten werkgevers van die datum deze kosten volledig zelf betalen.

Let op! Dit kan bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers weer leiden tot slapende dienstverbanden. De situatie die de wetgever met de invoering van de compensatieregeling transitievergoeding wegens langdurige arbeidsongeschiktheid juist wilde voorkomen.

Wel eventuele wijzigingen in transitievergoeding

Het kabinet is van plan werkgevers die werk maken van re-integratie dan wel outplacement te belonen door hen een lagere dan wel geen transitievergoeding te laten betalen. Onduidelijk is nog op welke wijze het kabinet dit wil gaan doen.

Krijgt jouw personeel korting op producten uit jouw bedrijf? Dan geldt daar nu nog een vrijstelling voor in de loonbelasting. In de belastingplannen voor 2027 is echter opgenomen dat deze vrijstelling met ingang van 2027 vervalt.

Glazenwasser

Vrijstelling voor branche-eigen producten

Op dit moment geldt er nog een gerichte vrijstelling als je jouw personeel een vergoeding geeft voor of een korting verleend op de aankoop van branche-eigen producten uit jouw bedrijf. Over die vergoeding of korting is geen loonbelasting verschuldigd als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • de vergoeding of korting is maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product, én
  • de kortingen en vergoedingen bedragen voor een werknemer in het kalenderjaar niet meer dan € 500.

Let op! De vrijstelling geldt niet als je een vergoeding of korting geeft voor branchevreemd product.

Meer dan 20% of € 500?

Is de vergoeding of korting hoger dan 20% of bedragen deze in een kalenderjaar meer dan € 500? Voor het meerdere geldt de vrijstelling niet. Dit is loon voor je werknemer. Je kunt dit meerdere ook ten laste brengen van de vrije ruimte in de werkkostenregeling, als de hogere vergoedingen en kortingen voldoen aan het gebruikelijkheidscriterium.

Niet meer vanaf 2027

Het kabinet schaft de vrijstelling vanaf 2027 af. Dat betekent dat in principe elke korting of vergoeding die je op branche-eigen producten vanaf 2027 geeft, loon is voor je werknemer. 

Je werknemer betaalt hier loonbelasting over, tenzij jij de korting of vergoeding ten laste brengt van je vrije ruimte in de werkkostenregeling.

Let op! De vrije ruimte gaat in 2027 iets omhoog. Over de eerste € 400.000 loonsom bedraagt deze in 2027 2,16% (2026: 2%), daarboven 1,18% (zowel in 2027 als in 2026).

Vergoeding of korting voor oud-werknemer

De vrijstelling geldt nu ook als je vergoeding of korting geeft aan een oud-werknemer. Maar ook voor die oud-werknemer is de vrijstelling vanaf 2027 niet meer mogelijk.

Geef je de oud-werknemer in 2027 nog een vergoeding of korting voor de aankoop van een branche-eigen product, dan ben je verplicht om dit ten laste van je vrije ruimte te brengen in de werkkostenregeling. Je mag dit dus niet individueel belasten bij de oud-werknemer. Deze regel is gemaakt om te voorkomen dat een werkgever loonbelasting moet verhalen op een oud-werknemer.

Let op! Het voorstel om de vrijstelling af te schaffen is opgenomen in de belastingplannen voor 2027. De Tweede én Eerste Kamer moeten hier nog mee instemmen. Het is daarom nog niet definitief.

De overdrachtsbelasting kent momenteel drie tarieven en een aantal vrijstellingen. In de Prinsjesdagstukken is opgenomen dat het tarief voor niet-hoofdverblijf woningen volgend jaar omlaag gaat van 8% naar 7%.

Woning

Woning of niet

Voor de hoogte van de overdrachtsbelasting is het allereerst van belang om vast te stellen of je een woning of een niet-woning (bijvoorbeeld een bedrijfspand) verkrijgt. In het laatste geval is de overdrachtsbelasting 10,4%.

Woning hoofdverblijf of niet

Verkrijg je een woning, dan kunnen twee tarieven gelden en eventueel de startersvrijstelling. Daarbij is van belang of je de woning zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. In dat geval bedraagt het tarief, onder voorwaarden, 2% of kan je, onder voorwaarden, de startersvrijstelling toepassen.

Ga je de verkregen woning niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gebruiken, dan geldt een hoger tarief van op dit moment 8%. De startersvrijstelling is dan niet van toepassing.

Let op! Voor het 2% tarief en de startersvrijstelling gelden voorwaarden. Laat je daarover goed informeren. Meer informatie vind je ook op de website van de Belastingdienst.

Verlaging tarief

In de Prinsjesdagstukken 2026 is opgenomen dat het tarief voor woningen die je niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gaat gebruiken in 2027 geen 8% maar 7% bedraagt. Op een woning van € 550.000 scheelt dat dus € 5.500! Reden genoeg om te beoordelen of de levering bij de notaris niet in 2026 maar in 2027 kan plaatsvinden.

Let op! Bij die beoordeling moet je uiteraard ook de andere omstandigheden meenemen. Wil de verkoper hier bijvoorbeeld wel aan meewerken, wat is de invloed van latere levering op je financiering etcetera.

Overige tarieven gelijk

De overige tarieven blijven gelijk. Voor een niet-woning geldt ook in 2027 een tarief van 10,4%. De woning die je zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt een tarief van 2% of de startersvrijstelling. Allemaal onder dezelfde voorwaarden zoals die ook in 2026 gelden.

Let op! De Tweede en Eerste Kamer moeten het Belastingplan 2027 nog aannemen. Gezien de minderheid van de coalitie in de Tweede én Eerste Kamer is nog niet zeker of dit zonder nadere wijzigingen zal gebeuren. De ervaringen uit de afgelopen jaren leren ons dat op de valreep, bij stemming in de Tweede Kamer en Eerste Kamer, er nog aanpassingen kunnen komen. Het is daarom nog niet zeker dat het algemene woningtarief volgende jaar 7% bedraagt. Houd daar rekening mee!