Werkgevers mogen in 2025 voor de kosten van huisvesting van een werknemer maximaal 25% van het minimumloon inhouden op het wettelijke minimumloon van die werknemer. Het voorstel is om dit percentage vanaf 2026 tot en met 2029 jaarlijks met 5% te verlagen.

Agrarisch

Inhouding huisvestingskosten

Met name bij arbeidsmigranten komt het veel voor dat werkgevers voor de huisvesting zorgen en daarvoor een bedrag inhouden op het loon van de werknemer. Bij een minimumloon mag die inhouding in 2025 nog maximaal 25% van dat loon zijn.

Afbouw en afschaffing

Het kabinet vindt dat de inhouding een verdienmodel én afhankelijkheid van de werknemer in de hand kan werken. Dit kan leiden tot uitbuiting van arbeidsmigranten. Daarom wil het kabinet de regeling afschaffen.

Het voorstel is om vanaf 2026 5% per jaar af te bouwen en vanaf 2030 de mogelijkheid om de kosten van huisvesting in te houden op het wettelijk minimumloon volledig af te schaffen.

 Jaar  Maximum inhoudingspercentage
 2025  25%
2026  20%
2027  15%
2028  10%
2029  5%
2030  0%

Tip! en werkgever mag vanaf 2030 nog steeds huisvesting verzorgen voor de werknemer. Het is dan alleen niet meer mogelijk om een deel van de kosten in te houden op het wettelijk minimumloon.

Internetconsultatie

Het voorstel is ter internetconsultatie aangeboden. Reageren op het voorstel is nog mogelijk tot en met 6 juni 2025.

Een bedrijf gaf zijn personeel en diens gezinsleden in de periode 2015-2019 een korting op de standaardvervoersprijs voor privéritten met de trein. Deze korting was gelijk aan de collectiviteitskorting die het bedrijf zelf, als zakelijke grootverbruiker van vervoer, ontving van een groepsvennootschap. Op basis van een cao-bepaling was het bedrijf verplicht dit voordeel door te spelen naar de werknemer.

OV

Geen loon

Rechtbank Gelderland behandelde deze zaak. Het bedrijf nam het standpunt in dat het voordeel op de standaardvervoersprijs een collectiviteitskorting vormde. Omdat een dergelijk voordeel voortvloeit uit het feit dat er collectief voordelige afspraken zijn gemaakt met een derde, is dan geen sprake van loon.

Wel loon

De Belastingdienst was het hier niet mee eens. De Belastingdienst meende dat de korting op de vervoersprijs wel degelijk belastbaar loon was, omdat particulieren deze korting niet konden krijgen en dus duurder uit zijn. Het voordeel van de korting moest volgens de Belastingdienst gesteld worden op de korting ten opzichte van de normale prijs die een particulier moest betalen.

Volgens de rechtbank is de korting inderdaad onderdeel van het loon. De korting vloeide immers voort uit cao-afspraken en werd gegeven door de werkgever. 

Hoe hoog

Volgende vraag is nu hoe hoog dit loon is. Voor producten uit de eigen branche van de werkgever gelden daarbij speciale regels om ervoor te zorgen dat deze de waarde niet kan beïnvloeden. Deze regels waren tot 2020 strenger dan tegenwoordig.

Nu de verwachting is dat werknemers bij andere grootverbruikers met een vergelijkbare bepaling in de cao eenzelfde korting zouden krijgen, oordeelt de rechtbank dat de waarde van het vervoersbewijs gesteld mag worden op de prijs, rekening houdend met de korting.

Toepassing van deze uitspraak

Op grond van deze uitspraak kunt u voor de waardering van een branche-eigen product makkelijker aansluiten bij het bedrag dat bij andere werkgevers (bij wie het geen branche-eigen producten zijn) in aanmerking mag worden genomen. Daarbij komt dat de waardering van branche-eigen producten vereenvoudigd is. Dat betekent per saldo dat wanneer andere werkgevers branche-eigen producten van u kunnen kopen met voordeel, en zij dit voordeel doorgeven aan hun werknemers, ook u mag uitgaan van deze waarde. Zorg daarbij wel voor bewijs.

Gemeentes kunnen belasting heffen als personen die niet in de gemeente staan ingeschreven er tijdelijk verblijven. Het betreft toeristenbelasting en/of verblijfsbelasting. Kunnen deze belastingen ook worden geheven als er sprake is van gratis verblijf?

Agrarisch

Gratis verblijf fruitplukkers

Bovenstaande vraag stond onlangs centraal voor rechtbank Gelderland. In deze zaak had een gemeente een fruitteler een aanslag toeristenbelasting en verblijfsbelasting opgelegd voor de jaren 2021 en 2022. De fruitteler had Poolse fruitplukkers in dienst en verschafte hen kosteloos onderdak op zijn eigen erf. 

Vergoeding in welke vorm dan ook

De Verordening waarop de aanslagen toeristen- en verblijfsbelasting gebaseerd waren, meldde dat deze belastingen verschuldigd waren bij verblijf door niet in de gemeente ingeschreven personen tegen een vergoeding ‘in welke vorm dan ook’. 

Verband tussen werk en verblijf

Volgens de gemeente was het voor de heffing voldoende als er een verband bestaat tussen het werk en het verblijf van de betreffende personen. De rechtbank was het hier echter niet mee eens. De fruitteler had namelijk aangetoond dat de plukkers conform cao betaald werden en niet meer verdienden dan degenen die niet op het erf verbleven. 

Gratis onderdak

De fruitteler gaf aan dat hij gratis onderdak bood, omdat hij nauwelijks genoeg personeel kon vinden. De fruitplukkers konden ook bij ziekte op het erf verblijven, want ze reden altijd gezamenlijk per bus op en neer naar Polen. Er was volgens de rechtbank dan ook geen sprake van verblijf tegen vergoeding en dus werd de fruitteler in het gelijk gesteld. Zowel de aanslag toeristenbelasting als de aanslag verblijfsbelasting zijn vernietigd.

Wordt aan u op een aanslag belastingrente berekend, dan kunt u daar bezwaar tegen maken. Naar aanleiding van een rechtbankuitspraak eind vorig jaar, zijn inmiddels alle bezwaren tegen de belastingrente aangewezen als massaal bezwaar.

Belastingdienst

Belastingrente in strijd met evenredigheidsbeginsel

Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 dat de belastingrente die de Belastingdienst berekent over aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Aanwijzing massaal bezwaar

Naar aanleiding van deze uitspraak zijn veel bezwaarschriften tegen de belastingrente bij de Belastingdienst binnengekomen. Daarom zijn inmiddels bezwaren tegen de vanaf 1 oktober 2020 in rekening gebrachte belastingrente aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat de Belastingdienst nu nog geen uitspraak doet op deze bezwaren, maar deze aanhoudt. Als de diverse vragen over de belastingrente in de rechtspraak definitief zijn beantwoord, doet de Belastingdienst één gezamenlijke collectieve uitspraak op alle bezwaren.

Let op! De uitspraak van de rechtbank ligt inmiddels bij de Hoge Raad. De Hoge Raad geeft iedereen die dat wil tot en met vrijdag 20 juni 2025 de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de door de staatssecretaris geformuleerde rechtsvragen in de massaalbezwaarprocedure.

Maak wel op tijd bezwaar!

Uw bezwaar loopt alleen mee in de massaalbezwaarprocedure, als dit bezwaar op tijd is ingediend. Op tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de aanslag.

Let op! Is op uw voorlopige aanslag belastingrente berekend, dan moet u eerst een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag indienen. De Belastingdienst wijst dit verzoek dan af en daartegen kunt u in bezwaar. Als dit bezwaar tijdig is gedaan, loopt dit mee in de massaalbezwaarprocedure.

Overleg

Deed de Belastingdienst al vóór 7 februari 2025 (o.a. Vpb) of vóór 7 mei 2025 (o.a. inkomstenbelasting, btw, loonbelasting en dividendbelasting) uitspraak op uw bezwaar, dan kan het zijn dat uw bezwaar niet meeloopt in de massaalbezwaarprocedure. Hetzelfde geldt voor andere bezwaren dan de belastingrente die opgenomen zijn in uw bezwaarschrift. Heeft u hier vragen over of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met onze adviseur. Wij helpen u graag verder.

Jaarlijks moet u als dga u zelf een loon uitkeren, ook wel het gebruikelijk loon genaamd. Als u als dga een lager gebruikelijk loon uit uw bv onttrekt dan de wettelijke normbedragen, dan ligt de bewijslast waarom u uzelf een lager loon uitkeert bij u.

Sparen

Gebruikelijk loon

De gebruikelijkloonregeling geldt voor iedereen die een zogenaamd aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap, én die ook werkzaamheden verricht voor die vennootschap. 
Heeft u een aanmerkelijk belang in een bv en verricht u ook werkzaamheden voor deze bv, dan moet uw loon in 2025 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s, of
  • € 56.000 (2025).

Lager gebruikelijk loon?

In sommige situaties kunt u uitgaan van een lager loon dan het berekende gebruikelijk loon. Zo kunnen startende ondernemingen maximaal drie jaar van een lager loon uitgaan als de bv het gebruikelijk loon niet kan betalen door het opstarten van de onderneming. Ook als uw onderneming structureel zoveel verlies lijdt dat de continuïteit van uw onderneming in gevaar komt, kunt u van een lager loon uitgaan.

Kernactiviteit dga

In een zaak die onlangs speelde voor het Gerechtshof ‘s Hertogenbosch, slaagde een dga hierin niet en bleven de navorderingsaanslagen dan ook gehandhaafd. In deze zaak voerde een dga een aantal argumenten aan voor het lager vaststellen van zijn gebruikelijk loon dan de wettelijke norm. Zo gaf de dga aan slechts werkzaamheden uit te voeren die vergelijkbaar waren met die van een secretaresse. De dga had echter zelf verklaard ook enkele kernactiviteiten uit te voeren, maar vond dat dit hieraan niet in de weg hoefde te staan.

Parttime werkzaam

De dga voerde ook aan dat hij slechts parttime voor de bv activiteiten verrichtte, maar kon dit niet hard maken. Bovendien moet voor het gebruikelijk loon uitgegaan worden van het loon dat verdiend wordt bij een volledige werkweek. Of al dan niet parttime gewerkt wordt, is volgens het Hof in deze zaak dan ook niet van belang.

Verlieslijdend

De dga voerde ook nog aan dat een lager gebruikelijk loon aanvaardbaar was, omdat er sprake was van een structurele verlieslijdende situatie. Inderdaad kan in die omstandigheden een lager gebruikelijk loon worden vastgesteld, maar dit moet dan wel aannemelijk worden gemaakt. Ook hierin slaagde de dga niet, onder meer vanwege het feit dat de rekening-courant positie van de dga was toegenomen. 

Het Hof liet de navorderingen dan ook in stand.